Grenzen aan flinkheid

De uitspraak ‘l’état c’est moi’, vermoedelijk van Louis XIV, is de nachtmerrie van iedere burger over een staatsbestel waarin horigheid jegens een absolute heerser de norm is. Macht die wordt uitgeoefend in de illusie dat het belang van de burger ermee wordt gediend, is extra gevaarlijk.

De Rotterdamse ombudsman sprak onlangs zijn gemeentebestuur er op aan dat grondrechten met voeten worden getreden. In een schokkend rapport over inbreuken op het huisrecht, Baas in eigen huis, kapittelde hij de ruim 25.000 huisbezoeken die ‘interventieteams’ in Rotterdam jaarlijks afleggen. In zijn recente jaarverslag adviseert hij zijn bestuurders hoe de burger beter in te lichten over de wijze waarop zij zich kunnen verweren tegen het aan banden leggen van de eigen vrijheden. Zo moet er meer oog zijn voor de welwillende burger, moeten er beter toezicht zijn en meer ‘tegenkrachten’.

Vrijdag werd hij officieel weggehoond door de gemeente Rotterdam. De burgemeester wil er niets van weten, de wethouders voelen zich onheus bejegend. Maar vooral gehinderd in hun goede werken. Met een eufemisme kreeg de gemeenteraad van het college van B & W te horen dat de „verhouding met de ombudsman minder productief is geworden”. Burgemeester Opstelten adviseert de raad het rapport naast zich neer te leggen. Niet alleen blijft de gemeente volgens hem binnen de grenzen van de wet, maar ook binnen de „fatsoensnormen die in de relatie tussen overheid en burger gelden”. De gewraakte maatregelen zijn „democratisch tot stand gekomen”. Eerder een uiting van „respect”, zelfs voor burgers en het bieden van kansen „aan hen die over de schreef zijn gegaan”. Zet daar tegenover hoe de praktijk bij huisbezoeken wordt beschreven, vooral bij sociaal zwakkeren: bonken, schreeuwen, intimideren, overrompelen, onvoldoende legitimeren. De Zonnekoning is niet ver weg.

Nog niet zo bars als Opstelten, maar toch uit hetzelfde vaatje tapte premier Balkenende onlangs toen hij de nationale Ombudsman verweet een „zwart-witbeeld” te schetsen. De ombudmans hekelde de steeds ruwer optredende overheid, die de 98 procent goedwillende burgers steeds vaker schoffeert. Ook de Tweede Kamer reageerde daar gepikeerd op en achtte deze kritiek „contraproductief”, eenzijdig kritisch over de overheid en overigens zwaar overdreven.

Bestuurders en volksvertegenwoordigers die zich zo teweerstellen tegen kritiek, moeten zich schamen. Flinkheid heeft ook grenzen, zoals die bijvoorbeeld in de Grondwet zijn vastgelegd. Ombudsmannen zijn laagdrempelige, onafhankelijke observatieposten die sneller en beter weten waar het overheidsbestuur faalt. Zij zijn een kostbare informatiebron voor iedere bestuurder of wetgever die in kwaliteit, effectiviteit en rechtmatigheid dient te zijn geïnteresseerd. Als overheden uit de bocht vliegen, zwaait de ombudsman met een rode vlag. Wie toch doorscheurt is dom en arrogant. Op ombudsmannen moet je zuinig zijn. Hun kritiek dient serieus te worden genomen.