Een boekje lichter

Een van de aardige kanten van de hoge olieprijs is dat vliegen weer onbetaalbaar is geworden. Akkoord, mobiliteit is ook wat waard, en waarom zou het alleen zijn weggelegd voor the happy few, maar om eerlijk te zijn, zo leuk was vliegen nou ook niet meer.

De tijden dat je goud geld voor je ticket betaalde en het gevoel had ernaar behandeld te worden, liggen lang achter ons. Geen wonder dat serviceloze prijsstunters het zo aardig wisten te doen.

De gepokte en gemazelde reiziger proefde het verschil niet eens meer. De A-markt was inmiddels zo ‘ver-Ceed’, dat honderd euro voor een retourtje Bangkok al veel leek.

Het was natuurlijk van de gekke. Vliegen hoort immers duur te zijn – het is smerig en verspillend. En de gek die ervoor betaalt, hoort het gevoel te krijgen dat als hij het al doet, hij er op z’n minst van mag genieten. De wereld rond suizen is nu eenmaal ongezond, ook al blijft het leuk.

Maar nu de olie overkookt, krijgt thuisblijven weer nieuwe glans. Al was het alleen maar omdat vliegtuigmaatschappijen de gekste dingen doen om de prijs proberen te drukken.

Langzamer vliegen als ze voorliggen op schema, taxiën op één motor, lichtere stoelen en tussentijdse lozingen van septische tanks (nog een reden om een droogtrommel te kopen).

Veruit de origineelste bezuiniging is die van Alaska Airlines. Om aan te tonen dat de piloten van die maatschappij hun steentje bijdragen, laten die hun gebruiksaanwijzingen thuis. Het scheelt de maatschappij 30.000 dollar aan brandstofkosten per jaar.

Dus als op weg naar de poolcirkel een rood lichtje gaat knipperen en blíjft knipperen en het vliegtuig steeds onheilspellender richting het smeltende ijs suist, dan kunnen de passagiers weten dat de piloot aan wie ze hun leven hebben toevertrouwd, kostenbesparend bezig is geweest.

Dat your captain speaking bij god niet meer weet hoe hij het ding vlot moet trekken zit nu eenmaal in de prijs verdisconteerd.

Was dan maar thuis gebleven.

Floris-Jan van Luyn