Doof voor kritiek – begrijpelijk

Na een eeuw van chaos door westerse inmenging bezien Chinezen de buitenlandse kritiek met argwaan. Zij zijn bang dat het Westen hen weer wil vernederen, meent Jaap van Ginneken.

Veel Chinezen lijken doof voor de westerse kritiek op hun land. Ook tot moslims lijkt kritiek op vrouwenrechten en onderdrukking van minderheden niet door te dringen, zelfs niet bij jonge moslims in het Westen die toch beter geïnformeerd kunnen zijn.

Daarvoor zijn goede redenen te geven. Maar deze schijnen op hun beurt weer niet door te dringen tot veel westerlingen. De redenen zijn van tweeërlei aard: historische en psychologische.

Veel Chinezen leren als kind over de Gouden Eeuwen, waarin het keizerrijk de hoogst ontwikkelde beschaving ter wereld was. De neergang daarvan viel samen met de komst van de westerse vloten in de Chinese Zee. In de Opiumoorlog dwongen de westerse mogendheden (in het bijzonder de Britten), na een vernederende nederlaag, vrije invoer van opium af. Deze ondermijnde de gezondheid van de bevolking en maakte het land afhankelijk van het buitenland. Wat volgde was een eeuw van chaos en onderdrukking.

De Bokseropstand rond 1900, een eerste poging om de westerse invloed af te schudden, werd hardhandig onderdrukt door een gezamenlijke buitenlandse troepenmacht, inclusief Amerika, Duitsland, Japan en Rusland. Pas na de Tweede Wereldoorlog, na een wrede Japanse bezetting, lukte het om de buitenlanders het land uit te krijgen.

Het nieuwe China voelt zich trots dat het dat vreemde juk heeft afgeschud. Het is inmiddels aan een snelle inhaalmanoeuvre bezig. Maar veel Chinezen blijven er ook van overtuigd dat het Westen nog steeds pogingen in het werk stelt om de macht en eenheid van het land te ondermijnen. Het Westen blijft immers afscheidingsbewegingen aanmoedigen: in Taiwan, in Tibet, in Mongolië, in Sinkiang. Dat die regio’s goede redenen hebben om de overheersing van Peking te vrezen, willen ze niet zien.

Op dezelfde manier leerden veel moslims als kind ook over de Gouden Eeuwen, toen het Kalifaat van Bagdad de hoogst ontwikkelde beschaving ter wereld was. En dat de neergang daarvan samenviel met de christelijke kruistochten, die hun voortzetting vonden in westerse kolonisatie. Dezelfde cyclus herhaalde zich in hun beleving na de onafhankelijkheid, toen veelbelovende nationalistische regeringen van Mossadeq tot Nasser werden ondermijnd door buitenlandse interventies. Ook de vestiging van Israël (en het als christelijk bedoelde Libanon) worden door hen in dit perspectief gezien.

Natuurlijk blijven deze simplificaties voortbestaan door het ontbreken van burgerlijke vrijheden, een open pers en kritische discussie. Maar ze zijn wel levend: veel Chinezen en moslims bekijken het Westen met wantrouwen.

Daar is ook een goede psychologische verklaring voor. Veel mensen verklaren politieke tegenstellingen vooral vanuit een wij/zij-achtergrond. De anderen worden daarbij niet als individuen gezien, maar als vertegenwoordigers van een wezenlijk andere groep. Mensen delen elkaar in als ‘geel’ of blank, kapitalist of communist, moslim of christen. Daarbij is men geneigd om de eigen groep als moreel superieur te zien.

Voor materieel hoger ontwikkelden als die in het Westen lijkt dat sowieso vanzelfsprekend, voor materieel lager ontwikkelden geldt dat zij zich zien als (voorbijgaand) slachtoffer van de geschiedenis.

Bij botsingen met anderen is iedereen geneigd feiten en bedoelingen selectief toe te schrijven. Als wijzelf iets verkeerd doen, zijn we geneigd om dat toe te schrijven aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Als onze tegenstrevers daarentegen iets verkeerd doen, zijn we geneigd om dat toe te schrijven aan hun diepste aard. Door deze drie mechanismen zijn we zo in staat om eenduidige zin te geven aan heel tegenstrijdige gebeurtenissen.

Ook goed bedoelende westerlingen koesteren zo etnocentrische illusies. Bijvoorbeeld dat ze elders als vanzelf gezien zullen worden als freischwebende Intelligenz, als belangeloze voorvechters van democratie, mensenrechten en gelijkheid. En niet als op hun beurt exponenten van hun eigen achtergrond en groep, met haar eigen opvallende blinde vlekken. Waarbij de eerste burger van Nederland laatst onnadenkend opriep tot terugkeer naar ónze Gouden Eeuw en de VOC-mentaliteit. Zich kennelijk volledig onbewust van het feit dat diezelfde glorieuze Verenigde Oostindische Compagnie in de ogen van veel Chinezen en moslims niet veel meer was dan een ongemanierde bende zeerovers, en haar broertje de WIC een stelletje slavenhandelaren. Die samen de basis legden voor de Nederlandse welvaart van vandaag.

Zo zijn we allemaal op onze eigen manier doof en blind voor de andere kant van de wereldgeschiedenis.

Jaap van Ginneken is media- en massapsycholoog. Hij publiceerde het ‘Handboek wereldburger – een inleiding interculturele communicatie’.