Die Linke gespleten tussen Ost-Realo’s en West-Fundis

De Duitse partij Die Linke hield dit weekend haar eerste partijcongres. De recente successen werden gevierd, maar de partij is latent diep verdeeld.

Joost van der Vaart

In Cottbus, diep in het oosten van Duitsland, wordt de Internationale nog gezongen. Uit volle borst en met galmende stem door Peter Ringel, die zichzelf begeleidt op een draaiorgeltje dat voor zijn buik hangt.

Ringel (68) was ooit loodgieter van beroep, maar raakte naar eigen zeggen „versleten” en werd afgekeurd. Nu maakt hij als ‘Draaiorgel Peter’ cd’s en is hij actief in de politiek. In Bad Vilbel, aan de noordrand van Frankfurt am Main, is Ringel gemeenteraadslid voor Die Linke, de nieuwe ultralinkse partij van Duitsland.

Die Linke is een geduchte concurrent van de sociaal-democratische SPD. Het is een partij die sterke wortels heeft in de voormalige DDR, maar die tegenwoordig ook populair en succesvol is in de westelijke deelstaten van de Bondsrepubliek. Die Linke hield afgelopen weekend in Cottbus haar eerste partijcongres.

Het was een bijeenkomst waar het groeiende zelfbewustzijn werd gevierd van een politieke beweging in Duitsland die zich, naar het lijkt voorgoed, op de kaart heeft gezet met uitgesproken opvattingen over sociale rechtvaardigheid en „het internationale, door de financiële markten aangejaagde kapitalisme” – oftewel de globalisering.

De opmars van Die Linke heeft de Duitse politiek ontregeld. Oude coalities zijn ineens onmogelijk of minder vanzelfsprekend geworden. De partij is er het afgelopen jaar in geslaagd de agenda te bepalen, meer dan de gevestigde partijen of de gevreesde maar politiek weinig effectieve rechts-radicalen, Met dank aan Oskar Lafontaine en Gregor Gysi, de leiders van Die Linke, twee politieke oudgedienden en retorische talenten.

In Cottbus is het dus een beetje feest. Oskar Lafontaine geeft zichzelf in een bevlogen toespraak, waarin hij Karl Marx, Sebastian Haffner, Goethe en Rosa Luxemburg citeert, complimenten en krijgt een daverend applaus. Gregor Gysi doet het een dag later nog eens dunnetjes over, maar is tevens zo eerlijk om te waarschuwen voor interne verdeeldheid.

In de wandelgangen van het congres is dit het grote onderwerp: de latente gespletenheid van Die Linke. Als Peter Ringel klaar is met het zingen van de Internationale, beaamt hij dat het niet allemaal pais en vree in zijn partij is. „We zijn in debat met elkaar. En het gaat er soms hard aan toe.” ‘We’, dat zijn de zogeheten ‘Ost-Realos’ en ‘West-Fundis’.

De ultralinkse gemeente in het westen van Duitsland, waartoe veel jongeren behoren, wil principieel niet regeren maar oppositie voeren. De beweging is veelkleurig, fanatiek links en licht tot zwaar chaotisch. Heel anders van aard in ieder geval dan de vormelijke, oudere, op centraal gezag en op regeren georiënteerde realisten in de voormalige DDR. Daartoe behoort bijvoorbeeld de middelbare Heidemarie Lösing, die als geïnteresseerde kiezer uit Saksen-Anhalt met een vriendin naar Cottbus is gekomen.

Zij zegt ironisch dat ze op het partijcongres is „om der Oskar, die ook maar een overloper van de SPD is, een beetje af te remmen. Hij moet niet denken dat wij hier in het oosten alles van hem slikken.” En dan serieus: „We moeten als partij niet alleen kritische vragen stellen, we moeten ook antwoorden hebben. Uiteindelijk zullen we een misschien zelfs een keer moeten regeren.”

Die Linke is een partij met ten minste twee gezichten. Nog kan de verdeeldheid worden toegedekt dankzij de huidige electorale successen. Nog zijn de tegenstrevers elkaar niet in de haren gevlogen omdat de leiding dat steeds weer weet te voorkomen.

Maar Lafontaine en Gysi zijn beiden zestigers die hun langste tijd in de politiek hebben gehad. Gysi wordt bovendien in het nauw gebracht door nieuwe berichten dat hij voor de val van de Muur medewerker zou zijn geweest van de Stasi, de gevreesde Oost-Duitse staatsveiligheidsdienst.

Helge Welker uit Wetterau in de westelijke deelstaat Hessen, afgestudeerd wiskundige, zegt dat er een belangrijke symbolische strijd in Die Linke woedt. „Tussen degenen die een basisdemocratie willen en zij die vanouds gewend zijn de regels van bovenaf aan anderen op te leggen.”

Welker is er niet rouwig om dat zijn partij op dit moment nog geen gedetailleerd programma heeft. „Het debat over een partijprogram moet in feite nog beginnen. Maar eerst zullen we het eens moeten worden over onze koers. Moeten we net als andere partijen concessies doen om uiteindelijk te kunnen regeren? Of moeten we onze idealen bewaren en oppositie blijven voeren?”

Welker kiest voor het laatste. Hij is het met Oskar Lafontaine eens: Die Linke regeert indirect al mee vanuit de oppositie. Maar hij weet ook dat veel van zijn partijgenoten in het oosten zo niet denken. „Hun gaat het om de macht, ons om de principes. Of we daar uitkomen? Ik denk het wel, maar het zal tijd kosten. En strijd, veel strijd.”