Daadkracht

Als ik halverwege de perrontrap  ben, mis ik mijn bontsjaal. Ik ren  terug naar boven, langs de  trein, op zoek naar de man die naast me zat. Als ik hem zie, roep ik „mijn sjaal!, mijn sjaal!”, en ik gebaar wild naar het rek boven zijn  hoofd. Hij glimlacht, als de trein  begint te rijden. Tot hij beseft wát  ik roep, en wat ik van hem verwacht. Dan staat hij op. En in één  daadkrachtige beweging grijpt hij  de sjaal, draait het raam open en gooit het bontje, tegen de  luchtstroom in, naar buiten. Met  de sjaal in mijn hand, kijk ik de  trein na. Hijgend. Déze man, denk  ik, wil ik als mijn minister-president.
Japke-d. Bouma