Steeds meer, steeds groter

Het Eurovisie Songfestival biedt nieuwe landen een podium zich te presenteren als volwaardige Europese naties.

Steeds meer landen op het Eurovisie Songfestival (dit jaar zijn het er 43) en dus ook steeds meer media. Honderden zijn het er, allemaal in en om het perscentrum in de grote festivalhal in Belgrado op jacht naar de laatste nieuwtjes en de lekkerste quotes. En als er niet genoeg nieuws is, gaan ze elkaar interviewen. „Ik word aan de lopende band gebeld om commentaar op van alles te leveren”, beaamt Cornald Maas, die als NOS-commentator bij de tv-uitzendingen zelf ook tot de media behoort. Of ze doen mee aan de enquêtes die onder mediavertegenwoordigers over de einduitslag worden gehouden, om vervolgens weer verslag te doen van de uitslag. In zo’n festivalroes bestaat nu eenmaal geen buitenwereld; het leven gaat alleen nog maar over de liedjes, de jurken en de gemoedstoestand van de deelnemende vocalisten.

Maar het is niet alleen de versplintering van Oost-Europa die zo’n aanwas van nieuwe deelnemers en media teweegbrengt. Het is ook de opmars der hobbyisten, die hun legitimatie vinden door voor een lokaal radiostation te werken of een weblog te maken. Gelouterde beroepsjournalisten, voor wie het Songfestival een klus als vele andere is, zien met verbazing – en soms zelfs ergernis – hoe al die onbezoldigde enthousiastelingen hen tijdens persconferenties en fotomomenten voor de voeten lopen en interviewtijd verspillen met onnozele vragen. Hoewel ook de profs niet alleen maar substantiële vragen te stellen hebben.

Dat het Songfestival louter een vocaal soort Gay Games zou zijn, zoals menigeen meent, is trouwens schromelijk overdreven. Natuurlijk appelleert het aan de hang naar glitter & glamour, die ook sommige Broadway-diva’s een grote aanhang van homoseksuele mannen heeft bezorgd. Voorts bestaan er heel wat homoclubjes die de grote finale op zaterdagavond groepsgewijs bekijken, intussen luidkeels commentaar gevend op het omkleden van de zangers, zangeressen en dansers op het podium. En bovendien achtte Svante Stockselius van de organiserende European Broadcasting Union (EBU) het nuttig de homoseksuele festivalbezoekers op te roepen niet al te opzichtig in Belgrado rond te lopen. Servië staat nu eenmaal bekend als een homofobe natie.

Maar alleen al getalsmatig kan het niet kloppen dat het Songfestival hoofdzakelijk een nichtenfeest zou zijn. Zie de kijkcijfers: de eerste halve finale, die dinsdagavond het voortijdige einde van de Nederlandse bijdrage (met zangeres Hind) betekende, trok bijna 1,8 miljoen kijkers. Zo veel homo’s zijn er in Nederland waarschijnlijk niet eens.

Voor de Oost-Europese deelnemers heeft het Eurovisie Songfestival vooral een politieke betekenis. Het biedt die landen een podium om zich te presenteren als volwaardige Europese naties. Daar is hun veel aan gelegen. Zodra de onafhankelijkheid een feit is, volgt de aanmelding bij de EBU. Nu al loopt Kosovo zich warm voor volgend jaar, als zevende van de landen die vroeger allemaal samen als één land (Joegoslavië) meededen.

Dit jaar wordt de helft van de 19 miljoen euro die de festivalorganisatie kost, betaald door de Servische overheid. Dat geeft het gastland onder meer het recht om vanavond tijdens de finale de geneugten van Belgrado breed uit te meten, in de intermezzofilmpjes tussen de nummers door. Ook de aanwezige pers wordt in de voorgaande week altijd bestookt met toeristische informatie en uitnodigingen voor recepties op aantrekkelijk ogende locaties. Zo’n week is bovenal een aaneenschakeling van recepties, want elk deelnemend land organiseert er minstens één. Veel tijd om de stad in te gaan, hebben de meeste mediavertegenwoordigers niet. Ze hangen rond in de festivalhal, om via de monitoren in de perszaal naar de repetities te kijken en naar relletjes te zoeken. En pas morgen, als het festival voorbij is, weten ze weer wat er in de tussentijd in de rest van de wereld is gebeurd.