‘Shit, ze gaan me executeren’

‘Op 2 december 1975 zat ik met mijn schoonvader en mijn zakenpartner Karel Wielenga in de trein van Groningen naar Assen. De reis verliep met horten en stoten. We vertrokken te laat, stopten af en toe en toen de trein in de buurt van Beilen weer stilstond, besteedden we er geen aandacht aan. We hoorden wel wat knalletjes, maar het was de aanloop naar Sinterklaas en ik dacht: ze zijn dit jaar wel erg vroeg met rotjes.

Even later ging de deur van de coupé open en stond er een jongen met een bivakmuts en een geweer in zijn hand. Ik had het idee dat iemand niet goed was geworden. Karel drukte nog de loop naar beneden en zei: ‘Ga je moeder pesten, joh.’ Achteraf krankzinnig, maar vergeet niet: niemand was vertrouwd met het fenomeen kapingen. We praatten gewoon door en hadden totaal niet door dat het helemaal mis was. Die man met die muts ging ook gewoon weer weg. Het was net een slapstick.

Wij reisden eersteklas en zaten in de coupé achter de machinist. Die moet, als aan de noodrem wordt getrokken, de trein weer rijklaar maken en inspecteren wat er aan de hand is. Ik heb begrepen dat hij de deur open deed, schrok – omdat hij een Molukse jongen met een geweer voor zich zag staan – en de deur dicht kwakte. De Molukker raakte in paniek en schoot dwars door de deur heen. De machinist had een slagaderlijke bloeding in zijn lies en wij hoorden hem gillen van de pijn.

De kapers waren hypernerveus, wisten niet wat zij met de situatie aan moesten en hebben de machinist uiteindelijk een genadeschot gegeven. Het was geen moord. Omgekomen is een betere woordkeuze. De Molukse jongen was in paniek en handelde niet bewust.

De reizigers uit de eerste klas werden door de kapers naar de tweede klas gebracht. De gijzelaars mochten niet praten. Dat deden we toch. We zeiden: als er een kans is, pakken we ze. Ik was 34, was sinds een paar jaar makelaar, maar had een decennium Hare Majesteit gediend. Ook Wielenga was vijf jaar eerder nog beroepsmilitair geweest. Het moment om in te kunnen grijpen is niet gekomen. We hadden er maar één hoeven hebben. Die schiet je door zijn kop of je houdt hem onder schot. Ze gaan echt niet schieten als wij één van hen voor ons hebben.

De kapers lieten sommige passagiers kranten voor de ramen ophangen met smal schilderstape. Dat is waardeloos spul, ze hadden breed band mee moeten nemen. Als een gegijzelde een beetje bibberde ging het al niet. Een mevrouw kon het niet en liet de tape van de zenuwen uit haar handen vallen. Eén van de kapers werd daar kribbig over. Ik zei tegen hem: ‘Zal ik het doen?’ Hij: ‘Als u het kunt.’ Ik zei: ‘Ja, maar als je beter plakband had meegenomen dan was het allemaal wat makkelijker gegaan.’

Ik hing de krant op en las: Regering verwacht problemen met Molukkers. Ik geef die vent een por en zeg: ‘Weet jij hier meer van?’

Hoewel de machinist was omgekomen, is het geen seconde door mijn hoofd gegaan dat mijn houding risico’s met zich meebracht. Het kan ook zijn dat ik de angst heb verdrongen. Dat zit nu eenmaal in mijn karakter.

Later heb ik gedacht: wat ben ik toch een ongelooflijke stommeling geweest. Uiterlijk sprong ik er al uit: ik was een stuk groter dan zij, had een donker pak aan en een knaloranje das. Maar daarnaast was ik brutaal. Ik had in de eerste klas mijn groene jagersjas en zwarte handschoenen laten liggen. Het was koud in de trein en in de tweede klasse zag ik opeens dat een kaper mijn handschoenen aan had. Ik zei tegen hem: ‘Ja, dat zijn mooie, hè.’ Ik moest het zeggen, want ik had er de pest in dat hij met mijn mooie handschoenen aan liep.

Om half twee, drieënhalf uur na het begin van de kaping, liep een kaper een paar keer langzaam heen en weer door de trein. De kaper kwam voor me staan, ik keek hem strak aan. Hij tikte me onder mijn kin en zei: ‘Wilt u meekomen?’ Op dat moment had ik absoluut niet door wat de bedoeling was.

Drie kapers namen me mee naar de plek waar ik eerst zat als passagier. In de coupé stond een rij wapens tegen de wand. Ik hoorde de kapers in het Maleis praten. Ze hadden alle drie een pistool in hun rechterhand en één van hen had een bijbel in zijn linker. Het begon me te dagen dat ze iets van plan waren, maar pas toen een van de kapers naar voren stapte en zei: ‘Doet u maar een schietgebedje’ dacht ik: ‘Shit, ze gaan me executeren’.

Ik zei: ‘Waarom ik? Wat heb ik er mee te maken?’ Ze vonden dat ik niets had gedaan aan hun situatie. ‘Maar ik ben getrouwd, heb drie kleine kinderen en was zelf nog een kind toen jullie ouders naar Nederland kwamen.’

Ik stond met mijn gezicht naar de kapers, links van me stond de treindeur open. De kapers schuin rechts van me. Ik draaide me om, knielde niet omdat er nog bloed lag van de machinist en hield mijn ogen open. Ik ben gereformeerd opgevoed, begon met mijn gebed en zag dat de kapers hun wapens rechts van me neerzetten, tegen de achterwand van de coupé gingen staan en ook gingen bidden.

Het drong tot me door dat alle drie de kapers rechtshandige schutters waren. Als ik een duik uit de trein zou nemen, en ze zouden schieten, moesten ze eerst een stap naar voren doen. Als ik bovendien niet recht vooruit zou springen, maar schuin naar links, moesten ze eerst een draai maken voor ze konden schieten.

De vloer van de coupé was een halve meter van de grond, dan lag er grind, en dan een steile helling naar beneden, tenslotte een greppel. ‘Amen’, zei een van de kapers. ‘U moet uw gebed beëindigen.’

Terwijl ik met ze praatte, schuifelde ik naar de open deur. Hoe dichter ik daar bij kon komen en ik uit de trein kon duiken, des te kleiner de kans dat ze raak zouden schieten. En als ze dat zouden doen, hoopte ik dat ze in mijn been zouden schieten, niet laag in mijn rug, want dan zou ik nooit meer weg komen.

Zij stonden op elkaar te wachten wie de executie zou voltrekken. Ik gebruikte hun twijfel om nog dichter bij de deur te komen. Op een gegeven moment voelde ik: nu gaan ze het doen. Ik zag een beweging van een kaper, hoorde schoten en ben in een reflex de trein uitgedoken. Ik weet nog dat ik het heel warm had en dacht: dit is dus dood.

Mijn afgevallen bril was geraakt en in mijn jasje zaten kogelgaten. Ik ben vijf à tien minuten blijven liggen. Doodstil. Ik wilde dat zij het idee hadden dat ik het niet had overleefd.

Ik hoorde het geratel van een ketting, keek niet op, maar was ervan overtuigd dat de kapers de deur weer hadden afgesloten. Ik wist: nog even wachten en dan moet ik ineens opstaan en zo hard mogelijk wegrennen. Niet de weilanden in, want dan konden ze me alsnog neerschieten vanuit de ramen. Nee, ik zou voor de trein uit sprinten, op het spoor, dat was mijn grootste kans.

Ik griste mijn bril mee, sprong op en rende zo hard mogelijk het spoor op. Na honderd meter hoorde ik stemmen. Ik dacht opeens: daarom hebben ze die trein hier laten stoppen, hun maten zitten verder op en ik loop recht in hun armen en dan vermoorden ze me alsnog. Ik dook achter een struik, maar iemand riep: ‘Kom maar deze kant op, er is niks aan de hand, wij doen u niets.’

Ik wilde niet weg uit Wijster. Ik belde mijn vrouw Marijan en overlegde met haar. Haar vader zat nog in de trein. De kapers zouden erachter komen dat ik niet dood was. Als er niet op hun eisen zou worden ingegaan, zou het voor de hand liggen dat zij zich zouden wreken op mijn schoonvader. Daarom ben ik daar rond blijven hangen.

Ik kreeg psychische hulp aangeboden. Er stond ineens iemand voor mijn deur. Ik heb hem binnengelaten, maar hij stelde volstrekt irrelevante vragen en ik heb hem na één keer voor zijn diensten bedankt. Ik had wel goede steun aan mijn beste vriend. Die is dezelfde dag naar Wijster toegekomen. Hij heeft me eindeloos het verhaal laten vertellen. Was ik klaar, dan wilde hij dat ik het weer ging vertellen. Zo praatte ik het van me af.

De kaping ging door en nadat de autoriteiten geen gehoor gaven aan de eisen van de kapers, kozen de kapers een andere passagier uit voor een executie. Na mij is een jonge soldaat meegenomen. Hij heeft geen schijn van kans gehad. Ze hebben hem vastgebonden, zijn achter hem gaan staan en hebben hem neergeschoten. Ik voelde me daar niet schuldig over. Wel intens verdrietig en heel leeg. Ik besefte: jij bent doodgeschoten omdat het bij mij niet gelukt is.

Mijn schoonvader dacht dat zijn dochter weduwe was geworden. Begrijpelijk, want hij had schoten gehoord en me niet meer teruggezien. Totdat een van de kapers aan hem vertelde dat ik zwaargewond in het ziekenhuis lag. Mijn schoonvader is de Molukker om zijn nek gevlogen.

De kaping duurde twaalf dagen. Toen gaven de Molukse jongeren zich over. Ze werden veroordeeld tot veertien jaar celstraf. Mijn schoonvader zocht de kapers geregeld in de gevangenis op. Wat ik nooit heb kunnen begrijpen is dat sommige gegijzelden er niet los van konden komen. Karel ging naar Indonesië en liet in arme wijken huizen bouwen.

In 2000 was de kaping 25 jaar geleden. Daar gaan we weer, dacht ik. Ik snap wel dat ik deel heb uitgemaakt van een belangrijke historische gebeurtenis, maar om daar in te blijven hangen, vind ik onzin. Ook over mijn bijna-executie wil iedereen nu nog alles weten. Een paar jaar geleden reed ik op de snelweg. Door een onverwachte manoeuvre van een andere bestuurder kon ik op het allerlaatste moment nog net voorkomen dat ik op een vrachtauto botste. Ik reageerde adequaat, deed wat ik moest doen en had mazzel dat het maar net goed ging. Dat was ook kantje boord, net als in de trein bij Wijster, maar daar ga ik een kwart eeuw later toch ook niet meer over zeuren.”

Martin Bons

Donderdag 29 mei wordt de film Wijster over de treinkaping uitgezonden door de Vara, Ned 3, 20.30 uur.