Rutte moet met VVD vechten voor bestaan

De VVD, dit weekend bijeen in Noordwijk, heeft met de PVV en Verdonk geduchte concurrenten op rechts. Is Mark Rutte de juiste man om het tij te keren?

Sandra Heerma van Voss

„Never contemplate defeat. Ken je die? Die is van Margaret Thatcher. Niet in alles een voorbeeld natuurlijk, maar…” Een korte schaterlach.

VVD-fractievoorzitter Mark Rutte zoeft op een donderdagochtend van Den Haag naar Bussum, op de achterbank van zijn door Wim gechauffeerde dienstauto. In Bussum spreekt Rutte vandaag op het Nationaal File Forum. Hij zal zich er opnieuw tot de ‘hard werkende Nederlander’ richten, zijn retorische stokpaardje bij Kamerdebatten en publieke optredens.

Ruttes hard werkende Nederlander staat vroeg op om aan het werk te gaan, strandt in de file, bouwt de hele dag mee aan een vitaal Nederland, om dan aan het eind van de dag na weer een file zo laat thuis te komen dat zijn kinderen al naar bed zijn.

Het kabinet Balkenende IV doet niets voor deze Nederlander, aldus Rutte. In het Verantwoordingsdebat in de Tweede Kamer van afgelopen donderdag viel hij de regeerploeg van CDA, PvdA en ChristenUnie opnieuw fel aan, soms voorspelbaar, maar ook feitelijk en gevat en met veel beeldspraak. Collega fractieleider Mariëtte Hamer merkte vilein op dat Rutte „het hele spreekwoordenboek uit het hoofd geleerd” had, maar Femke Halsema (GroenLinks) complimenteerde hem met het „vuur” waarmee hij oppositie bedreef.

In het parlement geniet Rutte respect, buiten de Kamer moet de VVD, met 21 zetels de grootste rechtse oppositiepartij, vechten voor haar bestaansrecht. Acht maanden geleden werd Rita Verdonk na meerdere aanvaringen door Rutte uit de fractie verwijderd: een riskante disciplinaire maatregel, waarbij interne orde werd verkozen boven de populariteit die Verdonk in het land genoot. Sindsdien bouwt de oud-minister met haar Trots op Nederland aan een virtueel electoraat dat haar volgens de laatste peilingen 23 zetels zou opleveren. De VVD zou er zeven verliezen.

Niemand kent nog Verdonks programma; toch gaat het haar goed. Geert Wilders, ook oud-VVD-er, heeft met negen zetels voor zijn PVV een duidelijk profiel bij zijn achterban. Wat kan de voorman van een zestig jaar oud, op klassiek-liberale beginselen gevestigd instituut als de VVD daar tegenover stellen?

Hard werken, luidt Mark Ruttes antwoord. „Mijn hoofdregel is: onverstoorbaarheid.” Rutte ziet politiek als ‘topsport’, iets waar hij de beste in moet worden. Lage peilingen of negatieve pers leiden bij hem niet tot zelftwijfel: „Ik báál er weleens van, ik word boos. Maar ik denk ook: hee, wat gebeurt er? Waarom haakt de kiezer af? Het is makkelijk om te constateren dat er onvrede heerst onder boze, blanke mensen, en dat mevrouw Verdonk hen bedient. Je moet die onvrede analyseren en er je strategie op aanpassen. Dus: Rutte, aan de slag. Jij wilde dit baantje toch?”

Rutte is een pragmaticus. Hij was tweemaal staatssecretaris voor de VVD, van Sociale Zaken (2002-2004) en van Onderwijs (2004-2006), en zou morgen zo weer als bewindspersoon „achter de knoppen” gaan zitten, als dat kon. „Als ik sommige ministers bezig zie… Bij Vogelaar denk ik steeds: o, dat moet je zo niet dóen! Zo’n wijkbezoek met een nerveuze burgemeester en een ideale Marokkaan die over zijn project mag vertellen. Je moet mensen aan een baan helpen!”

Als nakomertje in een groot, Haags gezin werd Rutte opgevoed met politieke discussies aan tafel – „Wij waren gepassioneerde Den Uyl-haters” – maar na een studie geschiedenis in Leiden ging hij het zakenleven in, en werd human resources manager bij Unilever. Politiek vond hij ‘leuk’. Tijdens zijn studie was hij via vrienden bij de JOVD terechtgekomen, waar hij zich een paar jaar „totaal in verloor”, onder meer als voorzitter. Rutte kwam en bleef voor het clubgevoel; pas in tweede instantie ontdekte hij dat het liberalisme goed bij zijn eigen maatschappijbeeld paste.

„Mijn ouders lieten mij heel vrij”, zegt hij. „Misschien omdat ik hun achtste kind was. Ze zeiden: joh, je zoekt het maar uit, maar één ding: je gaat wel je talenten uitventen. Ik wilde eerst pianist worden, dat vonden ze goed, daarna historicus, ook goed – als ik er maar wat van maakte.”

„De overheid moet mensen de ruimte bieden om het beste uit zichzelf te halen. Een rijk geschakeerde samenleving is een hechte samenleving, daar ben ik van overtuigd. Sociale zekerheid is er alleen voor als het écht niet lukt. Dan moet het collectief je netjes opvangen – maar je niet voor de rest van je leven afschrijven, zoals in Nederland jarenlang gebeurde.”

Na zijn studie werd Rutte lid van het hoofdbestuur van de VVD. Den Haag, dat was een kaasstolp, een ‘wereldje’ waar hij niet in verzeild wilde raken. Toen dat in 2002 toch gebeurde, bleken de meeste politici tot zijn verbazing fatsoenlijke lieden te zijn. „Het merendeel deugt”, zegt Rutte. „Jan Marijnissen (SP-fractievoorzitter en oppositieleider in de Tweede Kamer) bijvoorbeeld is consequent, man en opvattingen vallen samen. Ik mag hem graag, hoewel we volstrekte tegenstanders zijn.”

Voor zijn politieke strategie houdt Rutte contact met twee mensen: Eerste Kamer-fractievoorzitter Uri Rosenthal en, meer op afstand, Ben Verwaaijen, vertrekkend topman van British Telecom en medeopsteller van het laatste VVD-programma voor de Kamer-verkiezingen. Verder opereert en leeft Rutte zelfstandig. „Ik weet wat ik doe, wat ik wil en wat ik vind.”

Weet hij ook welke indruk hij maakt? Betrekt hij lage peilingen of de openlijke twijfel aan zijn geschiktheid als partijleider van bijvoorbeeld erelid Hans Wiegel op zijn persoonlijke optreden?

Rutte komt weer met een motto: neem jezelf niet te serieus: „Toen ik begon in de politiek kon ik geen kwaad doen, gold ik als hét grote talent. Daarna werd ik een tijd de grond in geschreven. Je moet beide geluiden relativeren.”

Ruttes media-optredens moeten wel beter, vindt hij zelf. „In de Tweede Kamercampagne van 2006 heb ik veel te veel tv gedaan. Ik was nog redelijk onbekend, en dan vraagt iemand ‘welke vrouw vind je leuk’, je noemt er een paar, en dan wordt het ‘Rutte zoekt vrouw’ in plaats van ‘Rutte zoekt kiezers’. Dat was niet goed. In campagnetijd moet het over de inhoud gaan. Maar ik weet ook wel dat mensen nieuwsgierig zijn. Ze willen weten hoe het zit. Nou, het zit zo: ik wíl geen vaste relatie. Ik woon graag alleen. Dat kan toch? Er zijn 3,5 miljoen alleenstaanden in Nederland. Als die de volgende keer allemaal VVD stemmen, dan zijn we de grootste.”

Hij lacht weer.