Publieke leven in Slowakije langzaam genationaliseerd

De Slowaakse premier Robert Fico heeft een nieuw slachtoffer gevonden: het instituut dat communis-tische archieven beheert.

Hij wordt al een kleine Poetin genoemd, zonder olie, zonder gas, maar zeker zo schaamteloos. Maar dat kan Robert Fico niets schelen, want luisteren doet de Slowaakse premier al lang niet meer.

Sterker nog: iedereen moet naar hém luisteren. Vorige maand joeg de socialist een perswet door het parlement, die kranten verplicht om alle reacties van lezers af te drukken, ook als hiertoe geen aanleiding is. De dagbladen vrezen een vloedgolf aan post, vooral van verongelijkte politici.

Begin dit jaar zou een wet voor non-gouvernementele organisaties zo worden aangescherpt, dat veel van die groepen dreigden om te vallen. Uiteindelijk werd de wet afgezwakt, maar de schrik zat er goed in. Net als bij de publieke televisie, waar de nieuwe directeur door de premier is uitgekozen.

Zijn jongste doelwit is het Instituut voor de Nationale Herinnering (UPN), dat de communistische archieven beheert en wandaden uit die tijd in kaart brengt. Fico – zelf een oud-communist – noemde het werk van het UPN onlangs „totaal onbelangrijk” en de toekomst van het instituut hangt nu aan een zijden draadje.

„Het publieke leven wordt langzaamaan genationaliseerd en verzwakt”, zegt politiek analist Grigorij Meseznikov. In een recent rapport beschrijft zijn instituut (IVO) hoe de rechtszekerheid afneemt ten gunste van de staatsinvloed. „Een tirannie van de meerderheid”, noemt Meseznikov dat.

Een klimaat waarin de Slowaakse maffia zich prettig voelt. Een recente inventarisatie van dagblad Sme wees uit dat bekende onderwereldfiguren in 2007 zestig procent méér legale bedrijven hebben opgericht dan het jaar daarvoor. Onder de vorige regering zaten ze in de verdediging, om de haverklap werden bendes opgerold, maar onder Fico is nog geen enkel syndicaat aangepakt.

Vorige week werd ook bekend dat een justitieel onderzoek naar financiële malversaties in de jaren negentig is stilgezet. De toenmalige premier van Slowakije was Vladimír Meciar, die een schrikbewind voerde en het land vervreemde van de beschaafde wereld. Maar nu is Meciar lid van Fico’s coalitie.

Is Fico een nieuwe Meciar? „Hij gaat niet zo ver”, zegt socioloog Samuel Abrahám. „Dat kan ook niet: Slowakije is een ander land dan in 1998. We zijn nu verankerd in de EU en de NAVO. Maar qua stijl zijn er zeker overeenkomsten.”

Dat het UPN onder vuur ligt is opmerkelijk. Het instituut wordt geleid door Ivan Petranský, een jonge historicus die door de huidige regering is benoemd. Zijn voorganger, oud-dissident Ján Langos, die in 2006 omkwam bij een auto-ongeluk, streefde naar zo groot mogelijke openheid rondom de communistische dossiers.

Petranský, een nationalist, heeft minder belangstelling voor de zwartste bladzijden van zijn land, zoals het fascistische oorlogsverleden – bladzijden die in het UPN-archief voorhanden zijn. Maar verder heeft hij het beleid van Langos voortgezet. „Petranský heeft velen aangenaam verrast”, zegt Abrahám. „Maar hij is niet de beste persoon om het UPN te verdedigen.”

Eerder dit jaar bleek op basis van materiaal uit het UPN dat de ultranationalistische politicus Ján Slota, die ook in de coalitie van Fico zit, een crimineel verleden heeft – hij brak ooit in bij een fabriek. Een pijnlijke onthulling, omdat Slota de Roma (zigeuners) in Slowakije graag wegzet als dieven. Ook Meciar heeft een probleem met het UPN sinds naar buiten kwam dat hij onder het communisme collaboreerde.

Fico is misschien geen Meciar, maar volgens Meseznikov is zijn taalgebruik zeker zo agressief als dat van zijn voorganger. De oppositie bestaat uit „landverraders” en „criminelen” en toen de premier met een camera werd betrapt op een verkeersovertreding zei hij dat „de media” geen kans onbenut laten om hem te „naaien”. En trouwens, Meseznikov is door Fico uitgemaakt voor „pseudo-analist” die met de oppositie heult en daar nu maar eens eerlijk voor moet uitgekomen.