Ook natuurrampen nopen tot politiek

Natuurrampen zoals in Birma en China zijn niet louter ‘acts of God’. Vooral in Birma wordt dat zichtbaar. Het bewust gekozen isolement van het militaire bewind heeft ertoe geleid dat honderdduizenden gewone burgers ook in een dodelijk isolement zijn gedreven. Met Joegoslavië in het achterhoofd komen voor dit cynisme dan al snel termen als ‘moord’ op. Zoals voormalig hulpcoördinator Jan Egeland van de VN in deze krant zei: „We laten de Birmese leiders wegkomen met moord. De wereld kan dat niet accepteren.”

De wijze waarop de regering in China de aardbeving in Sichuan het hoofd probeert te bieden, heeft wel waardering geoogst. Niet bij de slachtoffers ter plaatse maar wel in de internationale gemeenschap. Zelfs buitenlandse hulp is nu welkom.

Hier en daar is door experts geopperd dat uit deze nood ook een deugd kan ontstaan. Zoals de aardbeving in Armenië in 1988 een stimulans was voor de ‘glasnost’ in de Sovjet-Unie, zou de ramp in Sichuan een Chinese variant kunnen worden.

De redenering is dat autoritaire regimes leven bij de gratie van angst onder de burgers. Maar de chaos na zo'n ramp ontmaskert de almacht van die regimes juist. Zodra de burgers dat doorkrijgen, kan de woede plotseling de overhand krijgen over de angst.

Zowel de weerzinwekkende autarkie van de junta in Birma als de onverwachte openheid van zaken in China illustreert dat rampen een politieke lading hebben. Dat is altijd zo geweest. Zelfs tijdens de Koude Oorlog. Na een kwantitatief onderzoek concludeerden Amerikaanse politicologen in 2005 dat de VS indertijd meer geld overhadden voor bevriende landen in nood dan voor neutrale, laat staan socialistische, rampgebieden. Publieke bekommernis speelde toen ook net zo’n rol als nu. „Eén artikel in de New York Times is meer waard dan 1.500 doden”, aldus deze onderzoekers.

Maar al deze constateringen bieden geen soelaas als de politieke vraag aan de orde is of de buitenwereld zich daarbij kan en vooral mag neerleggen. Humanitaire actie is immers een van de belangrijkste uitingen van de soft power waarover het Westen beschikt. Soms is soevereiniteit dus ondergeschikt aan menselijkheid. De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Bernard Kouchner (oprichter van Artsen zonder Grenzen), zinspeelde niet voor niets als eerste op een eenzijdige interventie om de junta in Birma terzijde te schuiven. Andere westerse politici volgden. Maar volgens Egeland zou zo’n interventie contraproductief zijn. „Dat versterkt alleen maar de indruk dat humanitaire hulp [...] verbonden is met de westerse arrogantie en hang naar militaire interventies.”

Het is een gruwelijk dilemma: hoe lang laat je een regime straffeloos moorden? Een kant en klare uitweg is er niet. Maar de ervaringen van afgelopen maand wijzen wel in een richting. Ook zonder het startsein te geven voor een welhaast militaire hulpoperatie zijn er mogelijkheden om de slachtoffers niet in de kou te laten staan. Onder druk heeft de junta in Birma eerst de deur op een kier gezet voor de Association of Southeast Asian Nations (ASEAN), waarvan ook Birma lid is. En gisteren hebben de generaals zich schoorvoetend een beetje gevoegd naar de VN. Ze probeerden secretaris-generaal Ban Ki-moon wel om de tuin te leiden, maar ze slaagden daar maar ten dele in.

Helaas is dit geen voorbode van een alomvattende nederlaag voor de junta. Maar het is iets. De initiatieven van ASEAN en VN bieden openingen voor die landen in de regio (China), die tegen exclusief westerse actie een veto zouden hebben uitsproken.

Dat moet te denken geven. Het zou eerlijk zijn als Kouchner en andere interventionisten dat openlijk zouden erkennen, hoe gerechtvaardigd hun morele verontwaardiging ook is. Want tot nu toe is hun houding een beetje dubbelhartig. Ze bepleiten een interventie die in eigen land applaus oogst, maar onvermijdelijk een illusie is. Hoe hardvochtig het klinkt, juist als de menselijkheid in het geding is, is effectief optreden geboden.