Ministers serveren opgewarmde prak

Historicus en oud-hoofddocent politicologie aan de UvA. Auteur van ‘De bevrijding van Amsterdam. Een strijd om macht en moraal’ (met Guus Meershoek).

De Nederlandse vrouw moet meer kinderen baren en haar baby langer de borst geven. Dat is de boodschap die weerklinkt vanuit het kabinet. In april uitte minister Ab Klink (CDA) van Volksgezondheid de wens dat meer vrouwen de eerste zes maanden hun baby zelf gaan voeden. Op die manier hoopt hij het percentage moeders dat in de eerste zes maanden borstvoeding geeft, te verdubbelen. Nu voedt 20 tot 25 procent van de moeders zelf in de eerste zes maanden. Klink wil dat dit in 2011 is gestegen naar 40 procent. Door middel van voorlichting wil hij moeders aanmoedigen hun baby’s langer te voeden. Twee maanden eerder stipuleerde minister André Rouvoet (CU) voor Jeugd en Gezin dat Nederlanders méér kinderen moesten maken. Om de vergrijzing te compenseren, moet het geboortecijfer naar zijn mening worden opgeschroefd van 1,7 kind naar 2,1.

Het is opvallend dat het vooral de regeringscombinatie is van christenen en socialisten die het vuur opstookt onder dit soort gedreven gezinsbeleid. Dat was het geval in de jaren vijftig, toen rooms en rood de spil vormden van de zogeheten brede basiskabinetten onder premier Willem Drees (1948-1958).

Nog sterker speelde het kort na de bevrijding, toen de opinion leaders en politici zich bezorgd toonden over het zedelijk peil van de bevolking. Omgang van vrouwen met Canadezen (‘Trees heeft een Canadees’), zwarte handel en arbeidsschuwheid hadden in hun ogen geleid tot moreel verval van de natie. De gezinsontwrichting vormde een centraal element in de ‘morele paniek’. De stijging van onwettige geboorten en geslachtsziekten moest aantonen dat de kwaliteit van het huwelijksleven verslechterd was.

In die richting moest ook het aantal echtscheidingen wijzen, dat tussen 1940 en 1946 ruimschoots was verdrievoudigd.

Bij het verdedigen van de gezinsmoraal waren eertijdse PvdA’ers opvallend actief. Premier Willem Schermerhorn – ‘de man van de morele millimeter’ – en de minister van Onderwijs, de Groningse theoloog Gerardus van der Leeuw, ontpopten zich als niet-aflatende zedenmeesters, daarbij ruimschoots gebruikmakend van de propagandistische faciliteiten van het Militair Gezag en van de Regerings Voorlichtingsdienst.

De verontrusting van PvdA-zijde kwam voort uit het cultuurpessimisme dat tussen de wereldoorlogen in intellectuele kringen in Nederland had geleefd. Materialisme en massificatie hadden de eerbied voor oude geestelijke waarden verdreven. De morele ontwrichting die de bezettingstijd had gebracht, lag naar hun mening in het verlengde van deze beschavingscrisis. Het verval van de gezinsmoraal had het volk tot een geestelijke ruïne gemaakt.

Niet alleen de socialisten, ook de katholieken stelden zich achter het landelijke morele offensief na de oorlog. Zij konden op algemene instemming rekenen, want ook stromingen die in het verleden kritisch stonden tegenover de burgerlijke gezinsmoraal, zoals de socialisten, de communisten en de feministen, waren sinds de bevrijding niet meer bereid om zich als zodanig te profileren.

De feministen wierpen zich als voorvechters in de strijd tegen zedenbederf in huwelijk en gezin. Als de belangrijkste spreekbuis van de vrouwenbeweging trad destijds het Nederlandse Vrouwen Comité op, dat in juni 1945 een manifest publiceerde Aan de vrouwen van Nederland om hen te wijzen op ‘Haar taak in en buiten het gezin’. De Nederlandse vrouwen dienden te beseffen waar hun plicht lag: „Het is immers op de eerste plaats de huisvrouw en moeder die het gezin weer moet maken tot een plaats, waar de geestelijke en lichamelijke gezondheid wordt verzorgd, waar lust tot werken heerscht, waar oud en jong telkens weer gesterkt worden tegenover de teleurstellingen, die de arbeid temidden van namelooze ellende en verarming van ons volk noodzakelijkerwijs zal meebrengen.”

Hoe breed de overeenstemming was, bleek begin februari 1946, toen de stichting Nederlands Volksherstel een landelijke ‘gezinsweek’ organiseerde, onder de leuze ‘Gezinsherstel is Volksherstel’. Alle politieke partijen namen toen een passage op in hun beginselprogramma’s die pleitte voor beveiliging en versterking van het gezin. De confessionele partijen onderstreepten dit principe van harte: aftakeling van het gezin leidde tot verval van de samenleving. De PvdA leverde haar bijdrage met de eis van ‘bescherming en verheffing van het gezin’ via fiscale en sociale maatregelen. De CPN bepleitte: ‘Bescherming van het gezin. Versterking van de moraal van ons volk. Bevordering van orde en discipline.’

Tegenwoordig liggen de meningen anders. Ook al is er weer een coalitie van christen-democraten en sociaal-democraten, de communis opinio over gezinsbeleid ontbreekt ditmaal. Een meerderheid in de Tweede Kamer reageerde verbolgen op het voorstel van Rouvoet om kinderwensen aan te moedigen. „Als je mensen tot in de bedstee wilt achtervolgen, gaat mij dat drie stappen te ver”, aldus Anja Timmer (PvdA). Coskun Çörüs (CDA) meende: „Kinderen als een oudedagvoorziening of iets wat daar op lijkt, dat moeten we absoluut niet willen.” Ook de VVD en D66 hadden geen goed woord over voor Rouvoets idee, evenals de SP: „Dat hele verhaal over de kosten van de vergrijzing vinden wij onzin.”

Deze oppositie tegen de minister snijdt hout. Kindertal en borstvoeding zijn Privatsache. Het opvoeden van drie à vier kinderen, met ook nog tijdrovende borstvoedingen, kan bovendien lelijk botsen met de ambitie om carrière te maken.

Het kabinet heeft de mond vol van een nieuwe toekomst, maar presenteert een opgewarmd prakje uit grootmoeders tijd.