Literatuur naar het dementenhuis

Teksten uit het verleden zijn als bejaarden. Ze moeten verzorgd worden. Hulp is noodzakelijk om de oudjes die in principe nog helder van geest zijn maar slechts wat moeizaam hun gedachten naar buiten brengen, optimaal te laten meedelen wat hun boodschap is. Zelfstandig functioneren in de maatschappij kunnen ze niet meer.

Als er iets weemoedig stemt, is het dat wel. Dat teksten die ooit helemaal onafhankelijk waren niet meer volwaardig kunnen deelnemen aan het literaire leven! Dat ze in de geest van Bernlef als dementerende bejaarden gezien kunnen worden. Dat een tekst achteruit gaat naarmate hij ouder is. Hij appelleert steeds minder rechtstreeks aan de lezer die altijd maar weer zichzelf verjongt. Zou het waar zijn? De constatering bevalt me helemaal niet. Waar blijf ik als historisch letterkundige als mijn teksten steeds senieler worden? Ik moet proberen tegenargumenten te vinden, en dus de vergelijking met de bejaarde althans gedeeltelijk zien te ontkrachten.

Spreekt Medea van Euripides niet meer aan? Is dat zo’n lispelende oma geworden die alleen nog maar over haar kindertijd kan spreken en drie maal achter elkaar vertelt dat de pudding vandaag geen bessensaus had? Geen sprake van. En ook Othello niet, en Romeo en Julia en Lucifer. Maar het verraderlijke zit hem erin dat ik nu voorbeelden noem van toneelstukken. Toneelstukken winnen het wat eeuwigheidswaarde betreft van poëzie en proza, puur en alleen omdat ze door hedendaagse mensen opgevoerd worden, meestal in een hedendaagse taalbewerking, in elk geval in een hedendaags decor, met stemmen van nu en gestalten van nu met bewegingen en intonaties die ons aanspreken. Zodra je een oude Hamlet-film ziet, is er meteen weer een tijdsafstand die maakt dat we wel geamuseerd kijken naar het stuk, maar niet meer geëngageerd. Zelfs de gebaren van mensen blijken tijdgebonden te zijn. Kijken naar ouderwetse bewegingen creëert een historische afstand, die moeilijk te overbruggen is. Maar bij toneel geldt dat niet, daar kan de grondtekst ongeschonden overkomen.

Oude teksten kunnen dus wel degelijk volwaardig in functie zijn in de hedendaagse culturele wereld, mits er een laag overheen gelegd is die de oervorm wel intact laat, maar de presentatie ervan naar onze wereld haalt.

Goed, we sturen de oude teksten dus naar het verzorgingshuis. Er zijn in Nederland twee geautoriseerde verzorgingshuizen voor bejaarde teksten. Het ene is het Huygens Instituut, het andere de DBNL. Bij het Huygens Instituut worden door een ploeg onderzoekers doorwrochte edities gemaakt van literatuur uit het verleden. Het verzameld werk van Martinus Nijhoff is er bijvoorbeeld uitgegeven, waarbij niet alleen alle poëzie die Nijhoff ooit geschreven heeft bij elkaar gehaald is, het is ook gezuiverd van zetfouten en alle manuscripten, drukproeven en verschillende drukken zijn met elkaar vergeleken in een systeem waardoor je in een oogopslag ziet hoe een gedicht gegroeid is. Bij de DBNL (Digitale Bibliotheek Nederlandse Letterkunde) worden literaire teksten gedigitaliseerd, zodat ze buiten de bibliotheken om gelezen kunnen worden door iedereen. Duizenden teksten staan er inmiddels op het web en elke maand komen er weer vele bij. Wie Vondels Lucifer wil lezen kan er terecht, wie Sara Burgerhart wil lezen, krijgt de tekst volgens de eerste druk voor zijn neus.

Het Huygens Instituut zou ik willen vergelijken met een particulier verzorgingsappartementencomplex, de DBNL met een gemeentelijk bejaardenhuis. In het eerste huis komen alleen teksten terecht die een behoorlijke status hebben. Ze moeten een flinke eigen bijdrage leveren om in dit complex te komen, maar dan krijgen ze ook een verzorging waar je een puntje aan kunt zuigen. De appartementen kijken uit over zee, ze worden omringd door tennis- en golfbanen; geriaters, psychiaters, masseurs, fysiotherapeuten en diëtisten bieden een uitgekiende verzorging aan de bewoners. De andere teksten komen in het gemeentelijke huis terecht. Er is vier vierkante meter per bewoner beschikbaar, de toiletten worden gedeeld, het middageten wordt om half twaalf binnengebracht en het avondeten om half vijf, om tien uur ’s ochtends komt een vrijwilliger haastig de steunkousen aantrekken waarna de bewoner uit bed in een rolstoel gehesen wordt, en voor het raam gezet. Om zeven uur komt een verzorger langs om de steunkousen uit te trekken en de bejaarde in bed te helpen. Een keer per week is er rolstoeldansen en een keer per dag luierverschoning. Als een patiënt overlijdt moet de familie nog dezelfde dag de kamer opruimen en wordt er weer een nieuwe binnengeschoven.

Kortom: waar Leopold, Bloem, Multatuli, Gorter, Vondel verzorgd worden alsof er geen problemen zijn in de gezondheidszorg, moeten J.J. Cremer, Carry van Bruggen, Pieter Langendijk en anderen het doen met een afwerkplek.

In de wereld van de teksten bestaat de standenmaatschappij nog. Want laten we eerlijk zijn: de DBNL is een prachtig instituut, en we danken God op onze blote knietjes dat het bestaat, maar het is toch niet meer dan een machtig kopieerapparaat. En dat is nodig ook, want het is duidelijk dat teksten materieel kunnen vergaan. Er hoeft geen brand uit te breken zoals in de architectuurbibliotheek van Delft en een boekerij hoeft geen slachtoffer van oorlogsgeweld te worden zoals in Leuven tot twee maal toe gebeurde. Boeken vallen ook vanzelf wel uit elkaar. Tijdschriften en kranten zijn nauwelijks bestand tegen de hedendaagse atmosfeer en kunnen met handveger en blik uit bibliotheken bij elkaar geveegd worden. Datzelfde geldt voor veel romans van rond 1900. Manuscripten uit de zeventiende eeuw worden bedreigd door inktvraat. Hele gaten vallen er in brieven van P.C. Hooft en in notariële akten. Dus moeten er kopieën van teksten gemaakt worden, vóór ze reddeloos verloren zijn. Het ministerie heeft er het Metamorfoze-project voor ingezet: ‘het nationale programma voor de conservering van papieren erfgoed’. Ofschoon de DBNL daar los van staat, is die ook bezig met het redden van materiaal. Maar dat is niet haar hoofddoel. Het gaat haar om het ruim beschikbaar stellen van literatuur, die vaak maar in één exemplaar in een bibliotheek in de randstad bewaard wordt.

Maar het is niet genoeg als teksten beschikbaar zijn. Een tekst moet ook gelezen worden, en een oudere tekst wordt alleen maar gelezen als die begrepen wordt. Een tekst die een aantal jaren gefunctioneerd heeft in een maatschappij vertoont schade. Littekens, kalknagels, aambeien, haaruitval, spataderen, vergroeiingen, likdoorns, eeltknobbels om in de bejaardenmetaforiek te blijven.

Wat nodig is, zijn toegelichte teksten en hertalingen. Het is spijtig dat het Nederlands zo veranderd is dat een tekst van Vondel niet meer door een gemiddelde lezer begrepen kan worden, maar het is zo. De oude tekst heeft verzorging nodig. Maar wel zo dat de bejaarde ervan opkalefatert. Er bestaan heruitgaven van oude literatuur die uitblinken in geleerd vertoon maar de tekst niet opfrissen. En juist dat is nodig. Bejaarde literatuur hoeft niet te kunnen kopjeduikelen of polsstokspringen, maar het moet wel mogelijk zijn dat ze zo geholpen wordt dat ze in haar eigen tempo haar boodschap kan blijven uitspreken. Het is de plicht van literair historici om daarvoor te blijven zorgen.