Joint Strike Fighter: tegenvaller of een ‘geweldige’ deal?

Sombere berichten over de JSF? Onzin, zegt de luchtvaartindustrie. De voordelen zijn zó groot dat bedrijven niet hoeven mee te betalen – als de industrie de rekensom maakt althans.

Arie Kraaijeveld (Foto Dijkstra) drs A. Kraaijeveld, voorzitter Vereniging FME-CMWe FME Dijkstra bv.

De belastingbetaler kan rustig gaan slapen. Arie Kraaijeveld, bestuurslid van het Netherlands Industrial Fighter Replacement Platform (NIFARP) heeft goed nieuws: de investering van 858 miljoen euro in de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter (JSF) is nú al terugverdiend. Volgens de Nederlandse luchtvaartindustrie bedragen de inkomsten voor de staat „1,5 à 2 miljard euro’’. De Joint Strike Fighter, zegt Kraaijeveld, is „toonbeeld van goed Hollands koopmanschap’’.

De afgelopen jaren was er vooral slécht nieuws te vernemen over de JSF, het Amerikaanse gevechtsvliegtuig dat de F-16’s van de Koninklijke Luchtmacht op termijn moet gaan vervangen. De ontwikkelingskosten van de JSF stegen, het programma liep vertraging op en de aantallen toestellen die zouden worden geproduceerd werden langzaam naar beneden geschroefd.

Maar Kraaijeveld is optimistisch. Zéér optimistisch zelfs. Volgens de industrie loopt het JSF-project voor Nederland zó goed dat de luchtvaartproducenten opnieuw willen onderhandelen over het contract dat ze in 2002 met de Staat der Nederlanden hebben afgesloten.

Volgens deze ‘Medefinancieringsovereenkomst’ zou de industrie een percentage van de omzet uit JSF-opdrachten terugstorten in de staatskas. Maar dát, zegt Kraaijeveld, is „gezien de gewijzigde omstandigheden” anno 2008 „niet logisch” meer. „Ik wil zo snel mogelijk met het kabinet om de tafel”, zegt Kraaijeveld. „Daarbij moeten álle aspecten besproken worden”.

In april van dit jaar stuurde het NIFARP een vertrouwelijke brief naar het ministerie van Economische Zaken. Daarin zette de industrie de „geweldige voordelen” voor de staat nog eens op een rij: voor de werkgelegenheid, voor de kenniseconomie, en uiteindelijk ook voor de schatkist. Tegelijkertijd pleitten de bedrijven er voor om „in goede harmonie tot overeenstemming” te komen over nieuwe voorwaarden rondom de financiering van het JSF-project. Het NIFARP wil niet ingaan op die brief. Maar Arie Kraaijeveld bevestigt dat de industrie de afspraken met de overheid wil bijstellen.

Welke afspraken werden er precies gemaakt in 2002?

Het tweede kabinet-Kok wilde alleen deelnemen aan de ontwikkeling van de JSF als de investering van 800 miljoen dollar tot op de laatste cent zou worden terugverdiend. Meedoen met de ontwikkeling mocht niet duurder zijn dan het kopen van kant-en-klare JSF’s ‘van de plank’.

Volgens de ministeries van Defensie en Economische zaken was aan die voorwaarde voldaan. Nederland hoefde bijvoorbeeld geen ontwikkelingskosten te betalen bij aanschaf van de JSF, en zou mee profiteren als het toestel zou worden verkocht aan niet-JSF-partners. Participeren was bovendien gunstig voor de Nederlandse luchtvaartindustrie. Vliegtuigbouwer Lockheed Martin beloofde gouden bergen: acht tot tien miljard aan omzet.

Om uit te rekenen hoe de investering van 800 miljoen dollar zou terugvloeien in de staatskas, was een ingewikkeld rekenmodel opgesteld. Maar ambtenaren van het ministerie van Financiën waren kritisch over de ‘business case’ voor de JSF. Verschillende aannames in rekenmodel, zoals bijvoorbeeld de aantallen toestellen die zouden worden gebouwd (6.000, zei het Pentagon) waren volgens Financiën veel te optimistisch ingeschat. Op last van toenmalig minister Zalm (VVD) werden de parameters flink naar benden bijgesteld.

Zo gaapte er ineens een gat van 191 miljoen euro in het rekenplan. Dat gat, zo vond minister Zalm, moesten de luchtvaartbedrijven maar opvullen. In de Medefinancieringsovereenkomst (MFO), die in de zomer van 2002 werd ondertekend, werd vastgelegd dat de industrie voorlopig 3,5 procent van de omzet uit het JSF-werk zou afdragen aan de staat. Moeizame onderhandelingen waren daaraan vooraf gegaan. De MFO was een compromis. Op 1 juli 2008 zou de overheid de bestaande ‘business case’ evalueren (‘herijken’). Dan pas zou de definitieve afdrachtpercentage worden vastgesteld.

Die datum is aanstaande. En op de ministeries circuleren inmiddels alarmerende berekeningen. Volgens de overheid heeft de business case zich sinds 2002 niet goed ontwikkeld. Grootste boosdoener is de dollar: in 2002 nog 1,15 euro, maar nu nog maar 65 eurocent waard. De inkomsten in ‘dollars-2008’ vallen daarom veel lager uit dan de uitgaven, die worden gedaan in de termijndollars van 1,05 euro. In interne nota’s wordt inmiddels gesproken van een afdrachtpercentage van 6.67 procent.

Zoveel kan de industrie niet betalen. Volgens het NIFARP moet de business case worden aangepast. Veel van de aannames zijn inmiddels „achterhaald”. Zo telt de verwachte korting op de ontwikkelingskosten (in 2002 begroot op 330 miljoen euro) maar voor de helft mee, omdat er volgens Financiën 50 procent kans bestaat dat de VS bij het ‘kopen van de plank’ de ontwikkelingskosten zou kwijtschelden (‘waiven’). Volgens het NIFARP is dat scenario niet meer reëel. Nederland bespaart dus honderden miljoenen euro’s meer dan is begroot. Bij stijgende ontwikkelingskosten wordt dat voordeel steeds groter.

Het NIFARP neemt ook nieuwe besparingen op in de business case. In een recente Kamerbrief rekende het ministerie van Defensie bijvoorbeeld voor dat deelname aan de Initiële Operationale Test- en Evaluatiefase ( vanaf 2012) 200 miljoen euro goedkoper was dan het op eigen houtje testen van de JSF-toestel. Dat bedrag mag je rustig óók mee laten wegen in de business case, aldus het NIFARP.

„Er moet herijkt worden’’, zegt Kraaijeveld. „En het lijkt me dat dat op een correcte manier moet gebeuren. Wat heeft de regering teruggekregen voor die 800 miljoen dollar - dáár gaat het om.”

Maar u telt in uw berekeningen zelfs de omzet- en inkomstenbelasting van de bedrijven mee.

,,Als mensen werk hebben, dan dragen ze inkomstenbelasting af. Ik ben van oordeel dat je dat niet zomaar onder de tafel kunt houden.’’

In die oorspronkelijke ramingen staat dat niet.

,,Maar het is wél een gegeven. Dan kan je niet zomaar zeggen, dat staat niet in de tekst.’’

De Medefinancieringsovereenkomst beschrijft heel precies hoe de ‘business case’ moet worden herijkt. En de MFO is een document met een juridische status.

„Ik heb meer van die dingen gezien in mijn leven. Er is afgesproken om hier in 2008 opnieuw naar te kijken.’’

Hoe staat het eigenlijk met de orders voor de industrie?

„We hebben nu al 3 miljard binnen en we liggen op schema voor die acht tot tien miljard.’’

Maar als het zo goed gaat, kunt u de MFO toch gewoon uitvoeren zoals is afgesproken?

„Dat doen we ook’’.

Hoezo? U verzint allemaal nieuwe voordelen voor de staat.

„Wij leggen ze op tafel en zeggen: wat doet u met dit gegeven? De weging daarvan zal worden bepaald door het onderhandelingsproces.’’

De politiek zal zeggen: de industrie moet zijn afspraken nakomen.

,,Er staat in de MFO dat we de zaak zullen herijken in 2008. Punt.’’

De belastingbetaler zou er toch niet bij inschieten?

„Precies. Voor de belastingbetaler is dit een geweldige deal.’’