Is dit biologie?

Stel er is een stof B die onder bestraling met blauw licht wordt omgezet in een stof R die onder bestraling met rood licht wordt omgezet in stof B. Stel dat je paars licht, dus blauw èn rood, werpt op stof B. Waar eindig je dan mee?

Tja, zegt de lezer, dat is wel erg vrijblijvend geformuleerd. Veel zal afhangen van de vraag hoe snel B in R verandert en andersom en hoeveel rood en hoeveel blauw er in dat paarse licht zit. Maar omdat er maar weinig evenwichtsreacties zijn die in de praktijk helemaal naar één kant aflopen is het veiligste antwoord natuurlijk: je eindigt met een mengsel van B en R. Dan laat je mooi in het midden hoe de verhouding B tot R is.

Helemaal goed! Maar de vraag is: is dit biologie?

Of dit: we krijgen een dwarsdoorsnede door de borstkas van een bekende socialist voorgelegd en zien daarin het hart rechts liggen. Welke conclusie moeten we daaruit trekken? Dat de socialist behept is met een situs inversus? Of dat we de dwarsdoorsnede een halve slag moeten draaien om het hart op de juiste plaats te krijgen? Of onderste boven moeten bekijken?

Is dit biologie? En is het belangrijk? Afgelopen woensdag deden VWO-scholieren hun eindexamen biologie en de beide voorbeelden komen er als vraag 29 en 7 in voor. In vorige jaren is hier zuur geschreven over dat biologie-examen. Het zat vol kwaadaardige ‘instinkers’ en nodeloos ingewikkelde tabellen. Bevatte irrelevante en slordig geformuleerde vragen. De wetenschapsquiz was er niets bij.

Het examen van dit jaar (www.cito.nl) stak veel sympathieker in elkaar. Geen instinkers, geen chaotische tabellen. Het ging om wetenschap die er toe deed en er was veel aansluiting bij modern en mooi onderzoek. En niet al te ingewikkeld. Want ook nu weer werd er vaker naar inzicht dan naar parate kennis gevraagd. Vaker naar ‘kunnen’ dan naar ‘kennen’. Het zullen wel de universiteiten zijn die dat van hun aankomende studenten eisen maar vreemd blijft het.

De oude bioloog stelde ondertussen ontroerd vast dat veel klassieke termen weer terug zijn: spijsvertering, bladgroenkorrel, humuslaag, zelfs had iemand de maat mg-equivalent laten opnemen, een verwarrende eenheid die alleen nog door apothekers, dokters en bejaarde laboranten wordt gebruikt.

Hoewel: humuslaag? Lang geleden was de humuslaag de laag van gedeeltelijk of bijna volledig verteerde bladeren en naalden die onder de bomen in het bos lag. Later ging die laag opeens de strooisellaag heten en werd humus het goedje dat zich daaronder ophoopte. Maar kennelijk heet de strooisellaag weer humuslaag, want de vraagstukken 11 t/m 13 waarin de stikstofhuishouding van het vermaarde experimentele bosecosysteem Hubbard Brook (New Hampshire) wordt behandeld laten daarin geen keus.

De leerlingen moesten verklaren waarom er in het Hubbardbos zo veel minder stikstof zat in de humuslaag dan er gebonden was ‘aan bodemmateriaal’. Dat laatste ter onderscheiding van de opgeloste en opneembare fractie stikstof in de bodem (die maar heel klein is). Je zou zeggen: omdat de afgevallen bladeren zo snel verteren en daarbij stikstofhoudende verbindingen produceren die, geadsorbeerd aan bodemdeeltjes, juist heel persistent zijn maar het correctievoorschrift van het Cito maakt er zo’n zootje van dat je denkt: ze weten het zelf niet. Eén goed te rekenen antwoord luidt: omdat er meer stikstof gebonden is aan bodemmateriaal dan aan humus.

Misschien was het examen deze keer een beetje onnozel? Onzorgvuldige vragen waren er ook deze keer weer, zoals vooral uit het correctievoorschrift blijkt. Leg uit hoe bij hemodialyse het bufferend vermogen van het bloedplasma van een nierpatiënt verhoogd wordt, luidt vraag 5. Maar: een buffer waartegen? Tegen een zuurstoot of een CO2-puls? Het gewenste antwoord is: door verhoging van het gehalte HCO3-, maar dat gaat voorbij aan het feit dat bicarbonaat bij de bloed-pH (ongeveer 7,4) helemaal niet zo’n goede buffer is. Liever zou je fosfaten (H2PO4-/HPO42-) gebruiken als een zuurstoot moet worden opgevangen. Maar er zal wel bezwaar zijn tegen veel fosfaat.

Vraag 35 ging over de plas-dras-omgeving, wie kent hem niet. Het is de overgangszone van diep naar ondiep water naar land. Het afzetten van visseneitjes komt in het voorjaar eerder op gang in ondiep dan in diep water, weet het Cito. De leerlingen moesten daar een abiotische en een biotische verklaring voor geven. Abiotisch is: het ondiepe water is in het voorjaar eerder warm dan het diepe. Het biotische antwoord: ondiep water heeft meer planten om tussen te schuilen en eitjes tegen af te zetten. Een vreemd antwoord is dat, want in de zomer heeft het ondiepe water nòg meer plantjes voor de eitjes, en dan is er dus nog steeds geen reden om met de eitjes naar het diepe te trekken.

En er was ook diergedrag. De vragen 19 t/m 21 gingen over de baltsvlucht van de kievit, het buitelen. Daaronder de cirkelredenering die je toch eigenlijk niet meer verwachten zou. Vrouwtjes kieviten kiezen mannetjes die de baltsvlucht goed uitvoeren, zegt het Cito. Welk voordeel heeft dat voor de soort? Antwoord: de man die goed buitelt is veel fitter dan de man die dom buitelt, hij levert fitter nageslacht. Maar hoe weten wij mensen eigenlijk dat het vrouwtje voor ‘goed buitelen’ kiest? Natuurlijk: omdat haar nageslacht zo fit is.