In Fictie

De actualiteit is vaak een spiegel van de literatuur. Deze week de wonderen van de DNA-techniek in het licht van Michael Crichtons profetische bestsellerJurassic Park.

Twee paleontologen staan in een woestijnachtig gebied tussen levensgrote voetafdrukken. Vraagt de een: ‘Sauropoden?’ Zegt de ander: ‘Eerst maar eens zien of het wangslijm matcht.’

De Fokke & Sukke-cartoon van afgelopen donderdag was een perfecte samenvatting van een week waarin DNA-technieken het nieuws beheersten. De ‘Puttense moordzaak’ kwam in een stroomversnelling doordat het spermaspoor op het slachtoffer overeen bleek te komen met een recent beschikbaar gekomen DNA-profiel. Het Britse Lagerhuis legaliseerde stamcellenonderzoek met embryo’s waarin zich zowel menselijk als dierlijk DNA bevindt. En een gen van de al 70 jaar uitgestorven Tasmaanse tijger werd succesvol in een muis gezet: ‘wetenschappers denken dat genen van bijvoorbeeld de mammoet of de Neanderthaler ook op deze manier onderzocht kunnen worden.’

Het zijn allemaal onderwerpen en startpunten voor spannende romans. Niet dat die nog echt origineel kunnen zijn, want al in 1991 verscheen Michael Crichtons Jurassic Park, een oerboek in meer dan één opzicht. Crichton baseerde zijn plot op de theorie dat je dinosauriërs zou kunnen klonen met behulp van bloed van prehistorische muggen die bewaard zijn gebleven in versteende hars. Toen een paar jaar na verschijning van de roman de verfilming door Steven Spielberg in première ging (en het boek nóg beroemder werd), vielen wetenschappers over elkaar heen om uit te leggen dat het door Crichton beschreven procedé pure sciencefiction was. Maar in het licht van de nieuwste ontwikkelingen zal in elk geval de leek zich afvragen of er niet tóch een kern van waarheid inzat.

Crichton is een academisch geschoold, didactisch auteur met eengrillige fantasie; in Jurassic Park nemen zijn personages uitgebreid de tijd om hun theorieën te onderbouwen. Toch gaat het de schrijver niet om de finesses van de microbiologie of om de gevaren van genetische manipulatie. Jurassic Park is in de eerste plaats een spannend verhaal over een pretpark vol teruggefokte dinosauriërs die op hol slaan – een achtbaanritje in de dubbele helix. Hoe verder de roman vordert, hoe meer die trouwens een illustratie lijkt van een andere fascinatie van Crichton: de chaostheorie. Een van de hoofdpersonen is namelijk de wiskundige Dr. Malcolm – in de Spielbergfilm gespeeld door Jeff Goldblum – die zich ontpopt als doemdenker en als criticaster van de man achter het kloondinoparkconcept. Zijn waarschuwingen voor het butterfly effect (kleine oorzaken hebben grote gevolgen) zijn aan dovemansoren gericht. Maar de lezer blijven ze lang bij. Al helemaal omdat Malcolm gemodelleerd is naar een bestaande wetenschapper: de meteoroloog en vader van de chaostheorie Edward Lorenz, die overigens vorige maand op 90-jarige leeftijd overleed.

Pieter Steinz

Michael Crichton: Jurassic Park. Arrow Books, € 15,–