Hotel Unit C

Het Utrechtse psychiatrisch ziekenhuis Willem Arntsz Huis opent voorzichtig de deuren naar de samenleving. Op een open afdeling is een hotelkamer ingericht waar geïnteresseerden 24 uur mogen verblijven. „Hier zegt niemand: ‘Jij hebt PTSS, haha’.”

Op de televisie in de huiskamer van unit C speelt een zaterdagmiddagfilm, Sissi. Mooie film, vindt Petra (27). Maar ze kent hem al. Ze zit naast de tv op een van de groene en grijze banken en bladert door haar plakboek. De andere patiënten zitten onderuitgezakt te kletsen, te staren of ze roken achter de glazen wand in het rookhok.

In Petra’s plakboek zitten brieven die ze aan zichzelf schreef. Ook een brief aan zanger Jan Smit. Ze kreeg een kaartje terug. Ze heeft een haarlok ingeplakt, van toen ze het afknipte en rood verfde. Ze houdt van vrolijke kleuren. Verder veel plaatjes die ze uit tijdschriften knipte. Romantische plaatjes van zoenende stelletjes. „In de hoop dat ik het zelf ook eens mag meemaken.”

Tot 2006 is het plakboek vrolijk. Maar begin 2007 kwam Petra in haar „slechte periode”. Dan komen er foto’s van de verwondingen die ze zichzelf toebracht. Ze wil zich ook de slechte dingen herinneren. Ze lijdt aan posttraumatisch stresssyndroom (PTSS), er zijn vroeger veel vervelende dingen gebeurd. Nu is ze weer op de goede weg, vindt ze. Ze wil voor het eerst in haar leven op zichzelf gaan wonen. Net als Yvonne, die heeft vandaag gehoord dat ze een woning krijgt. Tevreden ligt ze te dutten voor de televisie. Binnenkort kan ze eindelijk weer met haar drie katten gaan wonen. Petra weet nog niet wanneer ze een huis krijgt, maar dan wil ze in elk geval ook een poesje. Liever nog een hond, maar dat mag niet.

Unit C is de open afdeling van het Utrechtse psychiatrisch ziekenhuis Willem Arntsz Huis (WAH), van zorgorganisatie Altrecht. De 25 patiënten die er wonen terwijl ze in behandeling zijn, druppelen zaterdagmiddag mondjesmaat binnen. Doordeweeks is er een strakker schema, met therapieën. Dan moet Petra bijvoorbeeld zeggen wat haar weekdoel is. Deze week was dat: meer aandacht voor haarzelf. Ze knuffelt nogal graag, met mensen, met dieren. En dan vergeet ze soms aan zichzelf te denken.

Al in de vijftiende eeuw opende het gasthuys voir die dolle lude de deuren in de Utrechtse binnenstad en het zit nog altijd in het museumkwartier. Juist die plek is belangrijk, vindt Altrecht, middenin de samenleving. Om de buitenwereld meer inzicht in de psychiatrie te geven, is er een tijdelijke hotelkamer op unit C. Elke week mogen daar twee mensen gratis overnachten. Tot nu toe reageerden twee studenten psychologie en een aantal journalisten. Met de openheid wil Altrecht de vermeende vooroordelen over psychiatrie bestrijden. Het wil laten zien dat in psychiatrische ziekenhuizen geen scènes uit ‘One flew over the Cuckoo’s nest’ voorkomen. Dat niet alle dolle lude helemaal van lotje zijn.

’s Middags is het stil in de zachtgrijze gangen van het ziekenhuis. Het WAH zit in nieuwbouw van vijf hoog. Bovenin zit Unit C. De hotelkamer biedt, net als de patiëntenkamers, uitzicht op de Dom en de binnenstad. In het gebouw zijn bedden voor ongeveer vierhonderd patiënten. Er komt van alles binnen, soms zijn patiënten direct van de straat geplukt door hulpverleners. Mensen met schizofrenie, met bipolaire stoornissen (manisch depressief), psychoses. Vaak gaat een psychische stoornis gepaard met een verslaving, daar heeft het WAH aparte afdelingen voor. Sommige patiënten wonen er een aantal jaren, soms is er eigenlijk geen hoop meer op deelname aan het sociale verkeer.

Maar veel patiënten gaan juist naar buiten, de winkeliers van de nabijgelegen Twijnstraat kennen ze. Op de open afdeling kan zo’n hotelkamer net, vertelt verpleegkundige Debby van Geffen. Al is het wel wennen, een gast die de orde verstoort. Andere afdelingen, zoals unit A die extra beveiligd is, kunnen zo veel openheid en nieuwsgierigheid niet aan.

Mee-eten kan op een andere afdeling, bij Psychiatrie en Verslaving. Tegen zes uur staat daar de macaroni klaar. Een patiënt heeft net de afdeling op z’n kop gezet, maar die is naar buiten om af te koelen. Het is nu rustig, drie van de zes patiënten die er wonen en een verpleegkundige eten mee. Rachid vraagt hoe lang het bezoek blijft, het lijkt hem gezellig. Maar nog voor iemand een hap heeft kunnen nemen, staat Rachid op en brengt zijn bord alweer naar de afwas. „Sorry, was ik vergeten te zeggen, ik moet lopen. Doei.” En weg is Rachid.

Chris heeft wel tijd om na het eten nog even koffie te drinken. Anders verveelt hij zich toch maar en gaat hij weer aan drugs denken, terwijl hij juist aan het afkicken is. Chris is lang en heeft uit zijn korte kapsel lukraak een paar plukken weggeknipt. Hij woonde vier jaar onder een eik aan de rand van de stad. Samen met een buizerd. Soms mist hij het, de dieren om zich heen, het buiten zijn. Gelukkig ruikt zijn kamertje naar bos. Hij heeft een tak met mos meegenomen van een wandeling, daar sprenkelt hij met een plastic bekertje elke ochtend water over. Verder is zijn kamer van ongeveer tien vierkante meter kaal, zoals veel kamers in het WAH. Op het bureautje ligt het verzameld werk van Shakespeare. Sinds Chris nauwelijks meer blowt, kan hij zich soms weer concentreren.

„Eigenlijk is het raar”, zegt Chris opeens, „ik ben het werk van de mensen hier. Er zijn constant mensen met mij bezig om me te helpen. Ik ben blij dat ik hier zit. Het is dan ook heel kinderachtig om weer te gaan blowen.”

Er is nog een reden om niet meer te blowen, namelijk schaken. „Vorige week had ik wat gerookt, zat ik als een paddestoel te schaken. Gênant.” Terwijl hij het zijn begeleider een week eerder nog zo moeilijk had gemaakt, toen hij nuchter was. Met de opening waar hij die vier jaar lang op had gebroed als hij weer eens rustig onder de eik lag. „Het werkte! Ik dreef hem over het veld. Ik merkte dat ik opeens weer helder kan denken.”

Op unit C wordt die avond na het eten gesport. Een aantal patiënten verzamelt zich onder de basket, anderen badmintonnen. Martin (49) gaat enthousiast de fitnessruimte in. „We doen de hele dag lichamelijk geen fuck.” Hij heeft last van PTSS. Eigenlijk loopt hij er al jaren mee, maar hij moest eerst dronken een auto-ongeluk veroorzaken om eindelijk hulp te zoeken. Martin is een brede vent met tatoeages en een piercing. In 1979 en 1980 zat hij in Libanon, vertelt hij. Hij kreeg van Defensie nooit hulp bij het verwerken van die ervaring, zegt hij. Toen hij onlangs de beelden uit de film van Wilders zag, kwam alles terug. Hij heeft veel weggedrukt, dat komt allemaal naar boven. Met tranen in zijn ogen vertelt hij over het verlies van zijn zoontje. „Ik heb veel steun aan andere patiënten. Je wordt hier niet beoordeeld op wat je hebt. Niemand zegt: ‘Jij hebt PTSS, haha’.”

Buiten het ziekenhuis is dat nog wel eens anders. Psychiatrische patiënten worden door de buitenwereld vaak eerder als gekken gezien, dan als zieken, zegt verpleegkundige Debby van Geffen. Ze heeft avonddienst op de afdeling en zit in het kamertje van het verpleegkantoor, waar patiënten voor van alles binnenkomen. Van date-advies tot medicijnen. „Er is veel schaamte onder patiënten. De verhalen die ze hier nu vertellen, zijn vaak de positieve versies. Sommigen zeggen tegen de buren dat ze op vakantie gaan, als ze hier worden opgenomen. Ik kan het me voorstellen, je krijgt direct een stempel. Het is erg jammer dat dat nog steeds zo is.”

De hotelkamer van het WAH ligt pal boven de isoleercel van de gesloten afdeling. De nachtrust wordt dan ook even verstoord door het gebonk op de deuren van de cel. Op unit C blijft het, zoals meestal, ’s nachts rustig.

Yvonne zit op zondagmorgen vrolijk aan het ontbijt. Nog altijd zit ze te glunderen omdat ze een eigen huisje krijgt. Ze is al een flink eind op weg met resocialiseren. Ook wel jammer om weg te gaan, want unit C is de leukste afdeling van Nederland, zegt ze. Maar ze heeft hier vriendinnen gemaakt, die allemaal in de buurt gaan wonen waar zij ook komt. Gaan ze elke dag theedrinken.

In haar vorige huis werd ze lastiggevallen door hangjongeren. Toen de burgemeester hoorde wat er gebeurd was, schreef hij persoonlijk een kaartje aan Yvonne. Ze laat hem trots zien op haar kamer. „Groetjes, Aleid Wolfsen.” Ze heeft gehoord dat de burgemeester ook in de hotelkamer komt logeren. Niet waar, volgens de verpleging. In dat geval gaat Yvonne het zelf wel regelen. Ze heeft nu haar contacten.