Hoger beroep vreemdelingen hoort een vol beroep te zijn 2

Kees Schuyt en Jaap van der Winden menen dat het negatieve oordeel van vreemdelingenrechters over de strengheid van de Raad van State ongegrond is.

Echter, ook de UNHCR heeft in juli 2003 zijn zorgen geuit over de versnelde procedure, de eis om aanstonds over al hetgeen van belang te verklaren en de onmogelijkheid om later in de procedure, of bij een eventueel herhaald asielverzoek, met nadere gegevens het verzoek alsnog te onderbouwen. In 2005 en in 2007 herhaalde UNHCR zijn zienswijze dat een beroep op de rechter een vol beroep moet zijn, waarbij alle gegevens die voor de beoordeling van een asielverzoek van belang zijn aan de orde moeten komen en in het oordeel van de rechter moeten worden betrokken. Asielverzoeken moeten worden beoordeeld in het licht van de informatie die over een land voorhanden is. Dat is nu ook in het Europees recht vastgelegd. Het is al jaren vaste praktijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om te toetsen met gebruikmaking van alle up to date informatie.

Enkele van de door UNHCR gesignaleerde bezwaren hebben te maken met interpretaties van de Nederlandse wetgeving door de Raad van State. Om herhaalde aanvragen te voorkomen, heeft de wetgever in de Vreemdelingenwet de rechter de mogelijkheid gegeven om later opgekomen verklaringen in zijn beoordeling te betrekken.

Maar de Raad van State heeft die mogelijkheid beperkt. Die keuzes komen voort uit het verlangen het bestuursrecht voor eenieder op dezelfde wijze toe te passen. De situatie van een kandidaat-vluchteling, zijn bewijspositie, is echter niet te vergelijken met die van een Nederlandse burger. De bezwaren van de rechters zijn voor ons goed te volgen.