Hoger beroep vreemdelingen hoort een vol beroep te zijn 1

Schuyt en Van der Winden geven in hun artikel `De Vreemdelingenkamer van de Raad van State is geen verzameling juridisch kwaadwillenden` (Opinie & Debat, 17 mei) aan dat ”in de gekozen vorm van hoger beroep () het niet (gaat) om een volledige herkansing”. De wetgever heeft de Afdeling een aantal instrumenten in handen gegeven om ”zaken die geen zaakoverschrijdende vragen oproepen op een snelle en doelmatige wijze af te doen”, aldus de auteurs, die hierbij met name doelen op het gestelde in artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. Dat artikellid bepaalt dat als de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, zij zich bij de vermelding van de gronden in de uitspraak kan beperken tot dit oordeel.

Dat artikellid betekent niet dat de grieven niet (volledig) behoren te worden beoordeeld, maar dat, als die grieven niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden, de Afdeling dat oordeel niet hoeft te motiveren. De vreemdeling die in hoger beroep gaat na een uitspraak van de rechtbank, maakt volgens de wet wel degelijk aanspraak op een volledige herkansing op basis van de namens hem aangevoerde grieven. Het is niet zo dat de wetgever heeft gekozen voor een stelsel waarin grieven slechts worden beoordeeld op aspecten die het belang van de zaak overstijgen. Het is zorgelijk dat een staatsraad, lid van de Vreemdelingenkamer van de Afdeling bestuursrechtspraak, nu twijfel zaait over de omvang van de beoordeling van een hoger beroep.