Het strafrecht als dreiging voor de vrijheid

De disproportionele aanhouding en ondervraging van een cartoonist in Amsterdam heeft ons land weer lelijk op de kaart gezet. Ja, Amsterdam de vrije stad! Voor wie is de stad vrij? Voor gelijkgestemden? De anti-discriminatie-industrie ondergraaft langzamerhand de fundamenten van een open en vrije samenleving. Er is geen enkele zinsnede uit een grondwetsartikel waarvoor zo veel instituten in het leven zijn geroepen. Gelijkheid zonder vrijheid is onrustbarend en totalitair. De grondrechten zijn er om de overheidsmacht in te perken. De radicale horizontalisering van de grondrechten leidt nu tot onbedoelde en soms perverse toestanden.

Waartoe dient de vrijheid van meningsuiting? Is deze vrijheid alleen, gelet op inhoud en vorm, voor ‘acceptabele’ meningen in het leven geroepen? Artikel 277 van de Grondwet uit 1815 trok een merkwaardige grens voor vrijheid: „Het is aan elk geoorloofd om zijne gedachten en gevoelens door de drukpers, als een doelmatig middel tot uitbreiding van kennis en voortgang van verlichting te openbaren, zonder eenig voorafgaand verlof daartoe noodig te hebben, blijvende nogtans elk voor het geen hij schrijft, drukt, uitgeeft of verspreidt, verantwoordelijk aan de maatschappij of bijzondere personen, voor zoo verre dezer regten mogten zijn beleedig.” ‘Kennis en voortgang van verlichting’ worden hier als doel en tegelijkertijd als dragende grond van vrijheid beschouwd. Daardoor wordt de ruimte van vrijheid gerelateerd en dienstbaar gemaakt aan bepaalde doelstellingen.

Kan de vrijheid van meningsuiting inhoudelijk worden bepaald? Nee, de vrijheid is onbepaald en beslist meer dan verlichting en kennis. Vrijheid wordt formalistisch en niet inhoudelijk bepaald: wat vandaag als perverse tekeningen worden gezien, behoren morgen misschien tot de hoogtepunten van de kunstgeschiedenis. De vrijheid markeert de onbepaaldheid van een opensamenleving. Vrijheid veronderstelt de strijd die van elke vorm van geweld is gevrijwaard.

Daarom is nu de vrijheid gebaseerd op het principe van individuele verantwoordelijkheid. Het strafrecht wordt in het bijzonder aangewend om die verantwoordelijkheid in te vullen: de beroemde, en inmiddels beruchte artikelen 137c en 137d en 137e van het Wetboek van Strafrecht. Met de voorganger van deze bepalingen beoogde de politiek, in jaren dertig van de vorige eeuw, om „strafrechtelijk optreden mogelijk te maken tegen antisemitische uitlatingen van nationaal- socialistische en fascistische zijde, alsmede tegen bepaalde vormen van antigodsdienstige propaganda”. Heeft het gewerkt? Natuurlijk niet!

In 1970 werden bovengenoemde strafbepalingen ingevoerd teneinde uitvoering te geven aan het Internationaal verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie van 7 maart 1966 (Verdrag van New York). Het verdrag eist in het bijzonder van de aangesloten landen om het verspreiden van denkbeelden aangaande rassensuperioriteit, rassenhaat of aanzetting tot rassendiscriminatie strafbaar te stellen. We moeten niet uit het oog verliezen dat dit verdrag tot stand kwam in een tijd die werd gekenmerkt door strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika en dekolonisatie.

Strafrechtsgeleerde Van Bemmelen (1969) beschouwde zelfs de oude artikelen (137c en 137d) alsmede de nieuwe versies ervan als zeer vaag en ruim. Andere prominente strafrechtsgeleerden zoals A.H.J. Swart, waren evenmin enthousiast over de uitvoering van het Verdrag van New York. In zijn artikel ‘Rassendiscriminatie en de Nederlandse strafwet’ constateerde Swart het volgende: „Het is bij dit alles dan ook niet verrassend dat bij de parlementaire behandeling weinig enthousiasme voor de drie nieuwe artikelen getoond werd door de Kamer. Ook de regering zelf kan men daarvan niet verdenken.” Terecht werden deze bepalingen zeer sceptisch ontvangen.

In Kamerstukken (Memorie van Antwoord) kom ik een passage tegen waarin de regering aan de hand van een voorbeeld de bezorgdheid rond deze strafbepalingen trachtte weg te nemen: „Dat er bij de thans voorgestelde tekst allerlei twijfelgevallen zouden blijven bestaan, kunnen de ondergetekenden niet inzien. In antwoord op de desbetreffende vraag merken zij op, dat belediging van ‘gastarbeiders’ niet onder het bereik van de voorgestelde bepaling valt.” Helaas is dit optimisme niet bewaarheid geworden.

Volgens de Memorie van Antwoord moet de toepassing van deze bepalingen minimaal zijn: (a) het strafrecht kan een geringe bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke spanningen; (b) het strafrechtelijke optreden kan tot de verscherping van maatschappelijke spanningen leiden en (c) de onnodige strafrechtelijke beperking van vrijheid van meningsuiting is verwerpelijk. Dit laatste zou tot de criminalisering van meningen leiden.

Deze artikelen behoren tot de politieke delicten van onze strafwetgeving en de toepassing daarvan is noodzakelijkerwijs onderhevig aan een politieke afweging. De opiniedelicten staan op gespannen voet met het strafrechtelijke uitgangspunt: de gedachten zijn vrij, de uiterlijke handelingen kunnen strafwaardig zijn. Bovendien leidde de toepassing van deze delicten tot een vorm van jurisprudentiële discriminatie tussen de heilige en gewone meningen.

Kamerlid L.C. van Dijke werd vervolgd voor het overtreden van art. 137c en 137e, omdat hij in een interview met De Nieuwe Revu (1996) had gezegd: „Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?” Van Dijke en later andere christenen werden vrijgesproken. Daarbij gaf de Hoge Raad voorrang aan de godsdienstvrijheid. Dit gold later eveneens voor imam El-Moumni.

De heilige meningen, gebaseerd op de autoriteit van goden, schijnen te allen tijde beschermwaardig te zijn. Daarentegen is een ‘gewone’ mening krachteloos. De zaak van Janmaat, voormalig fractieleider van de CD, is een voorbeeld van een gewone mening. Janmaat had tijdens een rechts-extremistische demonstratie geroepen: „Wij schaffen, zodra wij de mogelijkheid en de macht hebben, de multiculturele samenleving af.” De omstanders riepen ‘eigen volk eerst’, ‘vol is vol’ en ‘Nederland voor Nederlanders’. Hij werd hiervoor, ook door de Hoge Raad, ten onrechte veroordeeld. Sinds 2002 mogen deze uitspraken als soft worden beschouwd.

De artikelen 137c, 137d en 137e, betreffende delicten met een sterk politiek karakter, vormen nu een probleem. Zij moeten juist regelmatig door de wetgever worden geëvalueerd en geïnterpreteerd. Het strafrecht dient de rechtsvrede en vrijheid te bewaken, maar nu wordt het strafrecht zelf, juist met de toepassing van deze delicten, een bron van onvrede en een dreiging voor de vrijheid.

Deze delicten moeten daarom worden herzien. Waar geweld wordt gepredikt, moet strafrechtelijk worden opgetreden. De herformulering van deze delicten moet de kring van de daders beperken tot degenen die geweld willen verkondigen.

Reageren kan op nrc.nl/ellian (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie).