Goede kinderopvang is een investering in de toekomst

Universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

Eindelijk leek de kogel door de kerk, toen de PvdA zich bij de vorige verkiezingen voluit uitsprak voor gratis kinderopvang. Het is een punt waar ik zelf al sinds bijna veertig jaar voor heb gepleit. Nu er helaas toch weer enige wolken opdoemen aan de financiële horizon, lijkt het goed het belang van kinderopvang, ook bezien van uit een meer economisch standpunt, nogmaals te belichten. Dan zal blijken dat, ook, vanuit het standpunt van de overheidsfinanciën, er weinig reden bestaat om de hand op de knip te houden.

Er is nu brede consensus dat vrouwen dezelfde kansen op de arbeidsmarkt moeten krijgen als mannen. Er is echter een klein verschil tussen de beide geslachten, waardoor de vrouw de kinderen krijgt. In vroeger tijden waren er veel kinderen en er waren geen wasmachines, stofzuigers en kant- en klaarmaaltijden. Een zekere arbeidsspecialisatie tussen man en vrouw, waarbij de man het geld binnenbracht door werken buitenshuis, en de vrouw het huishouden regelde, was toen economisch effectief. Nu is de huishoudelijke taak geen levensvervullende taak meer en schenkt ook niet meer voldoende bevrediging. De jonge moeder met kinderen kan zich misschien nog wel ‘voldoende te doen’ maken, maar wanneer de kinderen naar de middelbare school gaan en hun eigen sociale relaties kiezen, de moeders zijn dan tussen de dertig en veertig, dan is het voor die moeders te laat om nog volledig hun talenten te ontplooien op de arbeidsmarkt.

Dit veroorzaakt psychische schade en daarbij is het een inefficiënt gebruik van productiekrachten, waarin via ons onderwijssysteem juist een grote hoeveelheid kennis is geïnvesteerd. De onderwijsparticipatie van meisjes is net zo groot als die van jongens en hun resultaten zijn vaak beter. Het gaat dus om potentieel hoogwaardige arbeidskrachten, die aan de kant blijven staan of in parttime banen onder hun niveau terechtkomen. Er zijn dus voldoende redenen van psychologische en economische aard om deze onrechtvaardige handicap voor de helft van onze bevolking te reduceren of, indien mogelijk, op te heffen.

Naast het rechtvaardigheidsargument is er echter ook een economisch argument. We hebben de arbeidskrachten in onze vergrijzende maatschappij hard nodig. Als vrouwen de gelegenheid krijgen dezelfde carrière als mannen te volgen, dan betekent dit voor ons verkrappend arbeidspotentieel een aanzienlijke en broodnodige uitbreiding. Niet alleen numeriek maar ook in kwaliteit. Doordat vrouwen, die moeder worden, niet meer hun carrière hoeven af te breken, maar met globaal dezelfde promotiekansen als mannen kunnen doorgroeien in (bijna) fulltime banen, zal de kwaliteit van het vrouwelijk arbeidsaanbod ook veel hoger worden dan dat van het huidige vrouwelijke aanbod.

We schijnen nu eindelijk een politiek instrument in handen te hebben gekregen waarmee deze wenselijke ontwikkeling kan worden gefaciliteerd: de gesubsidieerde of gratis kinderopvang. Het zou doodzonde zijn om deze ontwikkeling nu te gaan frustreren om dat het wat meer zou gaan kosten dan van tevoren was geraamd.

Daarnaast is er nog een belangrijk aspect. Nu gezinnen klein zijn geworden, en de straten zich niet meer lenen voor buiten spelen, moeten kinderen op jonge leeftijd op een andere manier leren met leeftijdgenoten om te gaan en te wennen aan de eisen die het lidmaatschap van sociale verbanden nu eenmaal stellen. Het verblijf in de kinderopvang is een probaat substituut voor alle sociale leersituaties, die in de moderne maatschappij dreigen te verdwijnen, en die niet kunnen worden vervangen door uren voor de televisie en de spelcomputer te hangen. Het is niet de ouderwetse bewaarschool. De kinderopvang wordt naast de lagere en middelbare school een noodzakelijk educatie-instrument onder de verantwoordelijkheid van de minister van Onderwijs. Op dezelfde gronden waarom wij het onderwijs bijna gratis houden, namelijk de grote positieve externe effecten, kan ook een brede toegankelijkheid van de kinderopvang, grotendeels gefinancierd uit de collectieve middelen, verdedigd worden.

Wat zijn de implicaties voor de overheidsfinanciën? In absolute termen gaat het om een geraamd tekort voor 2011 in de orde van 1,2 miljard euro. In termen van ons nationaal inkomen van ca. 560 miljard euro gaat het om minder dan 0.5 procent.

Hierbij zijn de zogeheten inverdieneffecten in de vorm van belasting betalingen door de mensen die een baan vinden in de gastouderopvang naar mijn mening nog niet meegenomen. Datzelfde geldt voor de belastingen van moeders die door de regeling in staat worden gesteld weer aan het werk te gaan. Wanneer de moeders de gelegenheid krijgen zonder noemenswaardige onderbreking in het arbeidsproces te blijven zullen zij echter, zoals in het buitenland ook minder parttime gaan werken en meer op een hoger niveau. Dat leidt wederom tot extra belastingontvangsten. Ten slotte, wanneer men vrouwen tot het volgen van een normale carrière in staat stelt, zullen deze extra baten er ook zijn wanneer de vrouwen geen kinderen meer thuis hebben en zij nog ca. twintig jaar doorwerken tot hun pensioen in een volwaardige baan, gegeven hun capaciteiten.

Uiteraard zal het invoeren en beschikbaar stellen van kinderopvang een zekere adaptatieperiode vergen. In het begin zullen al deze extra baten nog niet volledig worden gerealiseerd, al was het maar omdat de belastinginning nu eenmaal achter loopt. Daar zitten we nu mee. De uitgaven aan kinderopvang dienen dus nu gedeeltelijk te worden beschouwd als initiële investeringskosten voor het op gang krijgen van een structurele en heilzame hervorming van onze maatschappij. Het is een typische taak voor de overheid om dit nieuwe collectieve goed te financieren vanuit de belastingontvangsten, waarbij een eventuele inkomensafhankelijke ouderbijdrage valt te verdedigen.

Laten we hopen dat het huidige kabinet niet in paniek raakt en de korte termijn laat prevaleren. Het gaat hier om een structurele hervorming met belangrijke lange termijnimplicaties voor de 21ste eeuw, die we niet moeten frustreren door af te remmen voor enige kleine beginhobbels.