Goede doelen

Wild bieden op hockeystick en kleuterjuf: de schoolveiling.

St. Albans is één van de deftige scholen van de stad, een particuliere jongensschool tussen de Nationale Kathedraal en de ambtswoning van vicepresident Cheney. De leerlingen dragen er stropdassen en blauwe blazers. Vanavond lopen wij er netjes gekleed de met eikenhout gelambriseerde refter binnen, voor de jaarlijkse veiling van de stukken armlastiger openbare basisschool van onze zoon. Aan de wanden portretten in olieverf. Naast de bar speelt een combo. Obers in jacquet gaan rond met garnalen en blokjes chocolade-ijs.

Ah, daar staat vriendin K. al: „Shoot! Ik heb de cupcakes gemist!” Ze bedoelt twee dozijn designer cakejes van het wufte bakkerijtje Georgetown Cupcake. Catalogusnummer 314. Waarde 50 dollar.

K. wordt opzij geduwd door de boomlange M., die me wild aankijkt en vraagt: „Heb jij die hockeystick al gevonden? De hockeystick! Ik wil bieden op de hockeystick!” M. met rood hoofd weer af, op zoek naar de ijshockeystick, gesigneerd door Alexander Ovechkin van de Washington Capitals. Catalogusnummer 2000, geschatte waarde 300 dollar.

‘De veiling’ is op veel Amerikaanse scholen een begrip. Vooral op particuliere scholen en op openbare scholen in welvarende buurten. De school van onze zoon weet ouders het hele jaar creatief geld uit de zak te kloppen voor zaken die er anders niet komen: handvaardigheidles, gymnastiek, een klassenassistent, een leesspecialist. Dat wordt allemaal betaald uit de kerstboomverkoop, het ‘educatieve noden fonds’, de autoloterij, de schoolkermis. ‘De veiling’ is het hoogtepunt. Vorig jaar leverde die de school 50.000 dollar op.

Het ligt voor de hand dat ‘de veiling’ zo populair is op scholen, omdat er zoveel typisch Amerikaanse talenten voor kunnen worden ingezet. Gebrek aan gêne. Creativiteit. Optimisme. Can do spirit. En daarna: consumptie, consumptie, consumptie.

Gebrek aan gêne: een goede veiling begint met ongegeneerd bedelen voor het goede doel. Ouders worden maanden tevoren pelotonsgewijs de stad ingestuurd om het bedrijfsleven af te schuimen voor donaties en om een gratis chique locatie voor de avond zelf te vinden. Restaurants, kledingwinkels, pedicuresalons, opticiens, kappers, autowasstraten, fotografen, iedereen wordt overgehaald een tegoedbon voor de veiling te schenken. De opbrengst gaat naar de school. Mintum, Wright, and Brincefield bieden een advocaat voor een dag aan. Voor al uw erfenissen en echtscheidingen. Waarde 2200 dollar.

Creativiteit: ouders en leraren wordt gevraagd zelf ook iets in te brengen. J. komt met zijn antieke wafelijzer bij je thuis om een wafelbrunch te bereiden – met slagroom en vers fruit, 200 dollar. Drie zanglessen bij D., sopraan: 200 dollar. En K., nu bijna fulltime bezig met geld inzamelen voor Obama, regelt tussendoor in haar eentje dat 35 lokale kunstenaars werk schenken.

Optimisme: ieder jaar wordt gerekend op een hogere opbrengst, ook als die van het jaar daarvoor tegenviel. „Omdat de opbrengst weer lager was dan verwacht” is het streefcijfer voor de veiling dit jaar dus verhoogd tot 70.000 dollar.

Can do spirit: die van juffrouw S. is nu al legendarisch. Naast haar volledige baan als kleuterjuf is zij ook fulltime makelaar – in haar Schots geruite kleuterjufrok beweegt zij zich voort per flitsende zwarte Mercedes, ze regelt haar deals fluisterend in haar mobiele telefoon als de kinderen in haar klas hun middagdutje doen. En alsof dat nog niets is, weet de onvermoeibare juffrouw S. de veiling ieder jaar een kledingkast vol zelfgemaakte meisjesverkleedkleren in jaren ’20 stijl te schenken. Met de hand geborduurd. Inclusief hoedjes. Waarde 400 dollar. Dit jaar heeft ze er, welja, ook nog een jongensverkleedkist bijgedaan: 400 dollar. En als bonus doet ze jaarlijks haar echtgenoot in de aanbieding, een gewild veilingnummer, want die komt voor 100 dollar eindelijk die gaten in je muren boren voor de schilderijtjes die je nooit wist op te hangen.

Consumptie, consumptie, consumptie: op het moment dat ik begin te bieden op de tamelijk lelijke spiegel die kinderen uit de derde klas hebben gemaakt – een mozaïek van stukgeslagen tegeltjes met afbeeldingen uit Washington erop, want dat is toch leuk als souvenir voor later – weet ik dat ik ben ingeburgerd. De spiegel wordt net op tijd door een ander weggekaapt.

Dus wij vertrekken met:

twee toegangskaarjes voor de grotten van Luray.

Een ‘privérondleiding’ door de National Zoo voor 10 kinderen.

Een mooi, zij het een beetje vaag schilderijtje van ene Kathy Keler.

Een certificaat waarmee mijn zoon juffrouw D., de andere geliefde juf uit kindergarten, een middag mag nat spetteren in het zwembad.

Verbijsterd wankelen we naar huis, terwijl we proberen te becijferen hoeveel de avond wel niet heeft gekost en hoe dat zomaar kon gebeuren, allemaal. Wat had je nou precies geboden en in euro’s is het minder erg en het is toch voor een goed doel.

Dan houdt, met piepende remmen, M. naast ons stil. Hij draait zijn raampje open en roept: „Vier-hon-derd-vijftig dollar heb ik geboden! Voor een ijshockeystick gesigneerd door Alexander Ovechkin! Vier-hon-derd-vijftig!” Naast hem heeft zijn echtgenote de slappe lach.