Geen straf na incident Jalalabad

Geen van de Amerikaanse mariniers die vorig jaar betrokken waren bij een schietpartij die aan negentien Afghaanse burgers het leven kostte, wordt vervolgd. Het onderzoekshof van de marine in Camp Lejeune, North Carolina, concludeerde gisteren dat de betrokken officieren „gehandeld hebben volgens de rules of engagement, en de tactieken, technieken en procedures die destijds golden in geval van een complexe aanval”.

Op 4 maart vorig jaar reed een met explosieven beladen auto in op het konvooi van majoor Fred C. Galvin en kapitein Vincent J. Noble nabij de Oost-Afghaanse stad Jalalabad. Eén marinier raakte gewond, en volgens de getuigenissen van een tiental collega’s werden zij onmiddellijk na de explosie onder vuur genomen. Zij maakten zich al schietend uit de voeten. De Afghaanse Onafhankelijke Mensenrechtencommissie concludeerde na een onderzoek dat zij in het wilde weg hadden gevuurd op passerende auto’s en voetgangers. Over een afstand van zestien kilometer zouden zij in totaal negentien Afghaanse burgers hebben gedood, en er tientallen verwond.

Het Onderzoekshof, dat naar aanleiding van het incident voor het eerst in vijftig jaar werd ingeschakeld, oordeelde na een zitting van drie weken dat de mariniers er juist aan hebben gedaan op te treden zoals dat bij een hinderlaag hoort. Volgens het Afghaanse onderzoek was er geen bewijs van een hinderlaag. Het dossier van 12.000 pagina’s wordt niet openbaar gemaakt.

De gebeurtenis leidde tot grote woede onder de Afghanen. In die periode waren er veel berichten over burgerslachtoffers door handelingen van buitenlandse militairen. De eenheid werd uit Afghanistan weggehaald.

De commandant van het Amerikaanse leger in de provincie Nangarhar, waarvan Jalalabad de hoofdstad is, heeft publiekelijk zijn excuses aangeboden, en heeft gezegd dat hij zich schaamde voor wat er gebeurd was. Dat leidde tot de woede van de commandant van het korps mariniers, omdat het onderzoek toen nog liep. (AP)