De ramen staan nu open

Frits van Oostrom neemt afscheid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Een gesprek over Poetin, vrouwen en letteren.

Margriet van der Heijden

Nadat hij twaalf jaar geleden de AKO-literatuurprijs had gewonnen met Maerlants wereld, kocht hij een blauwe cabriolet. Maar die heeft hij al lang niet meer, zegt neerlandicus Frits van Oostrom (55) wat spijtig. Drie jaar geleden trad hij aan als president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). Hij vertelde toen in deze krant dat hij zichzelf niet meteen als ‘president’ van de eerbiedwaardige instelling had kunnen voorstellen; een man met zo’n auto. Maar de reden om de cabriolet weg te doen, was eenvoudiger: hij had geen tijd meer om er in te rijden. “Hij stond maanden stil toen er een meneer aanbelde. Of die auto van mij was. En dat hij hem wel wilde kopen.”

Wat Van Oostrom er deze week voor terugkreeg, was een portret van hemzelf in het statige Amsterdamse Trippenhuis. In de ontvangstruimte hangt het tussen de portretten van voorgangers Pim Levelt en Pieter Drenth. Zijn donkere haar steekt er op af tegen goudgele vegen. “Hoe vind je het?”, vraagt hij opzij kijkend. “Dat geel op de achtergrond heb ik zelf voorgesteld. Dat leek me in dit jubileumjaar wel aardig.” Want ja, de KNAW bestaat 200 jaar. En nee, hier staat geen man die de touwtjes makkelijk uit handen geeft. Hij heeft dan ook hard en veel gewerkt, zegt hij over zijn presidentschap. En het voelt goed om nu voor dit portret te staan. Van Oostrom: “Ik ga niet vals bescheiden doen. In dit rijtje hoor ik nu thuis.”

Trippen

Het Trippenhuis is eigenlijk te groot voor de Amsterdamse Kloveniersburgwal waaraan het staat: 25 meter lang en nagenoeg even hoog. In 1660 werd het gebouwd als woonhuis door en voor de rijke wapenhandelaars Trip: links woonde het gezin van broer Hendrick, rechts woonde Louys’ familie. De KNAW huist er sinds 1812. De grijze, donkere façade gooit een lange schaduw over de gracht en maakt ondanks de gevelversieringen een gesloten indruk.

Ook achter de zware voordeur laten gebouw noch Akademie zich snel kennen. Bezoekers lopen een kale hal in, langs een zakelijke garderobe naar een grijzige ontvangstruimte. Mét uitzicht op de binnentuin, dat wel. In de zaal naast die tuin hield Frits van Oostrom afgelopen maandag zijn afscheidsrede.

Welsprekend was hij – uiteraard; het is zijn handelsmerk –, maar de bijeenkomst zelf was even sober als de kantoorinrichting. De zwarte, zijden kousen en het zwarte kostuum met zilveren borduursel op de kraag – een uitrusting die koning Lodewijk Napoleon de leden van ‘zijn’ Koninklijk Instituut (de voorloper van de Akademie) graag had zien dragen – die hebben het in Nederland duidelijk niet gehaald.

Van Oostrom: “In Lodewijks vaderland, Frankrijk, ging het anders. Daar werd de monarchie afgeschaft, maar al het decorum, ja, dát werd gehandhaafd. Terwijl bij ons…” Bij officieel getinte ontmoetingen van de academies, vertelt hij, steken de Nederlandse leden dus zelfs in hun ‘netste pak’ bleekjes af bij de collega’s van bijvoorbeeld de Académie Française of de Britse Royal Society.

We spreken elkaar de ochtend na de overdracht. Het is een van de laatste keren dat Van Oostrom ontvangt in zijn werkkamer, die een beetje van het geheim van het Trippenhuis ontsluiert. Rood tapijt, geel gebloemd fluweelbehang, een glanzende houten vergadertafel en een kroonluchter; de kamer heeft zwier. Op de schrijftafel tegen de muur, bij het raam, staat nog de laptop van de voormalig president, pal onder een portret van de negentiende-eeuwse Leidse Sanskritist Hendrik Kern.

“Het schilderij is van Jan Veth”, zegt Van Oostrom, “en het is me dierbaar.” Kern, met grijze krullen gebogen over een boek, lijkt er het ‘archetype’ van de geesteswetenschapper. Van Oostrom: “Maar dat mijn laptop eronder staat is niet toevallig, want ik denk dat Kern, een dynamisch onderzoeker, zulke moderne hulpmiddelen dankbaar zou hebben gebruikt.”

Dynamisch en energieker moet ook de Akademie zijn, vindt Van Oostrom. Daarom stelde hijzelf vorig jaar voor om mathematisch fysicus Robbert Dijkgraaf als zijn opvolger te vragen. De ‘excellente onderzoeker en columnist’ is de goede man om boegbeeld te zijn voor de eerbiedwaardige KNAW en om dat instituut tegelijk wat moderns te laten uitstralen. “Te laten zien dat we geen verzameling dinosaurussen zijn. En meer dan een sociëteit.”

Al had, beaamt Van Oostrom, de menigte tijdens de overdrachtsceremonie ook veel weg van een vergrijzende kerkgemeente. Van Oostrom: “Kijk, je bent lid voor het leven. En de 220 leden worden gekozen via co-optatie, ofwel men kiest elkaar. Daarin zit een zeker conservatisme natuurlijk al ingebakken: je kiest degene die goed liggen.”

‘Absurd’, vindt hij het bijvoorbeeld dat de grote theoloog Edward Schillebeeckx, ‘onze enige theoloog van internationale faam, maar katholiek’ – nooit gevraagd is lid te worden van de Akademie. En het systeem heeft ‘ongetwijfeld’ ook vrouwelijke leden dwarsgezeten.

Daarover wil hij trouwens wel een voorspelling doen. “Robbert is een man, de KNAW-president na hem zal dat ook wel zijn, maar diens opvolger, dát wordt een vrouw.”

poetin

De deftige KNAW is dus in beweging. Of in elk geval: daar heeft Van Oostrom zijn best voor gedaan. Toen hij maandagmiddag zijn afscheidsrede, naar Multatuli, afsloot met een “ik groet u allen zeer!”, had hij vanuit het Trippenhuis 9.957 e-mails verstuurd. Hoeveel er waren binnengekomen, had hij maar niet geteld.

Het presidentschap was iets waar hij dag en nacht, soms bijna obsessief, mee bezig was, maar ook een prachtige baan, zegt hij. Waarin hij uiteenlopende mensen ontmoette, van VNO-bestuurders tot, tijdens een staatsbanket, de Russische president Poetin: “So, you are a president too?”

Het mooist waren de gedachtenwisselingen met de crème de la crème van de Nederlandse wetenschap. Van Oostrom: “Het geeft, na die drie jaar, een beetje het gevoel alsof ik op wereldreis ben geweest. Zoals je na zo’n reis met andere ogen naar je eigen land kijkt, zo kijk ik nu met een andere bril op naar mijn eigen vak.”

Hoe? “Nou, de geesteswetenschappen waar ik uit kom, zijn mij zeer dierbaar”, formuleert hij bedachtzaam, “en ze hebben als ze op hun best zijn een mooi soort wijsheid, maar ze zijn weinig zelfredzaam. Het elan en de toekomstgerichtheid van de andere wetenschappen, waarin men altijd weet uit te stralen ‘we zijn er bijna’, daar zit heel veel positieve energie in. De geesteswetenschappen moeten een beetje oppassen dat ze niet aan de andere kant gaan staan, met hun rug naar de toekomst.”

Een keerzijde van die ‘positieve’ betawetenschappen is dat ze ‘zeer competitief’ zijn en een ‘enorme scoringsdrift’ vergen. “Ik kan me voorstellen dat zoiets vaker mannen, en dan een bepaald soort mannen, aanspreekt. Dat vrouwen zich daar minder bij thuis voelen. En in dat opzicht”, zegt hij, “moeten we toch de geesteswetenschappen een compliment maken. Die gaan hier veel wijzer en beschaafder mee om, en hebben ook meer vrouwen in hun gelederen.”

spil

Toen de Franse Académie en de Britse Royal Society werden opgericht – ruim 150 jaar eerder dan hun Nederlandse evenknie – was hun rol vanzelfsprekend. De academies hadden een spilfunctie. Door bijeenkomsten en prijsvragen zorgden ze voor levendige communicatie tussen wetenschappers in een tijd dat er nog geen e-mail, telefoon en internet bestond. Ze verzorgden wetenschappelijke publicaties lang voordat commerciële uitgeverijen die taak overnamen. Ze adviseerden de overheid die niet kon leunen op adviesorganen als RIVM of AWT én ze gaven de wetenschap (internationaal) gezicht.

En nu? “Nou, als we de Akademie zouden afschaffen, draait de wetenschap wel door”, zegt Van Oostrom. “Gelukkig, zou ik zeggen. Maar het is wél belangrijk dat er een lichaam is dat de beste wetenschappers uit uiteenlopende disciplines bij elkaar brengt, dat in dat opzicht nationaal is, en dat namens de wetenschap kan spreken.”

Hij zegt zich nog goed te herinneren hoe Sijbolt Noorda, inmiddels voorzitter van de Verenigde Universiteiten (VSNU), hem bij het begin van zijn presidentschap op het hart drukte om ‘vooral veel stelling te nemen’. De president van de KNAW, zei Noorda, is een van de weinigen die dat met gezag en betrekkelijk belangeloos kan doen.

Van Oostrom: “De KNAW staat boven de partijen, de leden zitten al aan hun top en de Nederlandse overheid is zo beschaafd om het instituut (dat net als de universiteiten overheidsgeld uit de ‘eerste geldstroom’ krijgt) vrij te laten.” Natuurlijk, merkt hij op, leer je daarna als bestuurder “dat anderen uit die adviezen lichten wat hunzelf goed uitkomt. Maar er wórdt naar ons geluisterd, dat heb ik de afgelopen drie jaar gemerkt.”

Van Oostrom wees op het belang van een brede vorming voor studenten; “een accountant mag best wat weten van middeleeuwse literatuur”. Namens de KNAW waarschuwde hij voor belangenverstrengeling wanneer hoogleraren gesponsord worden, en hij maakte bezwaar tegen bezuinigingen op de universiteiten, ‘die toch aan de basis van het onderzoek liggen’.

Voor het eerst in haar lange geschiedenis bemoeide de Akademie zich ook met onderwijs; en stelde zij prijzen voor scholieren in als “ruggesteun voor het voortgezet onderwijs”. “Vanzelfsprekend”, vindt Van Oostrom. “We hebben het over volgende generaties en die worden gekweekt in het onderwijs.”

Mensen die in de toekomst door de archieven van de KNAW vlooien, zullen meteen zien wanneer Frits van Oostrom aantrad, zei maandag zijn opvolger Dijkgraaf. Er duiken kwinkslagen op in de verslagen. Zelf denkt Van Oostrom dat hij als bestuurder de “ramen verder heeft opengezet”.

“Ik ben een kind van de jaren zestig. Die zich natuurlijk eigenlijk afspeelden in de jaren zeventig en die nu, een beetje flauw, zo verguisd worden.” Hijzelf heeft van die jaren een tik meegekregen. “Ik ben me ervan bewust dat wetenschap in de kern van de zaak l’art pour l’art is, maar ik vind dat het daarnaast iets moet betekenen in de samenleving.

En dus probeerde de Akademie de afgelopen jaren ‘vrienden te maken’ op de avonden voor wetenschap en maatschappij, waarvoor topsporters, captains of industry en journalisten worden uitgenodigd.

En gaat dit jaar bijvoorbeeld De Jonge Akademie, een ‘kleine akademie’ voor veelbelovende dertigers en veertigers en een initiatief van voorganger Pim Levelt, on wheels. Dat wil zeggen: met een bus de scholen langs om met de leerlingen onderzoek te doen. Om te laten zien dat wetenschappers niet per se nerds en superspecialisten zijn, aldus Van Oostrom, zoals de man uit het verhaal van Dostojevski die alles van het linkerneusgat wist, maar die in paniek raakte toen iemand naar het rechtergat vroeg.

Dat leidt soms tot stevige discussies. “Er zijn óók leden die vinden dat het geheim van het Trippenhuis niet meer genoeg gekoesterd wordt. Of dat het zelfs ontheiligd wordt.”

egidius

Hoe het zal zijn om weer terug te keren naar zijn werkzaamheden als universiteitshoogleraar in Utrecht? En om het tweede deel van Stemmen op schrift te schrijven? Het eerste deel van die Nederlandse literatuurgeschiedenis van de Middeleeuwen (van Hebban olla vogala uit 1100 tot het Egidiuslied uit 1400) verscheen twee jaar geleden en werd genomineerd voor de AKO-literatuurprijs. “Het materiaal voor deel twee heb ik bijna allemaal al verzameld.”

“Ik verheug me erop”, zegt Van Oostrom, “maar ik zal wel een paar keer flink mijn hoofd moeten schudden. De schijn keert zich misschien tegen me, maar ik vind schrijven heel moeilijk.”

Bij besturen speel je, in biljarttermen, via de band, zegt hij. Moet je omwegen bewandelen en allerlei gremia raadplegen. Schrijven doe je op eigen gezag, zonder te worden ingeperkt of dwarsgezeten. Alleen: terwijl een bestuurder voortdurend aan de gang wordt gehouden, moet je de discipline om te schrijven uit jezelf halen. “Maerlant heeft me nooit aangespoord.”

Het klopt anderzijds, beaamt hij, dat boeken blijven ‘staan’, terwijl de resultaten van besturen veel ongrijpbaarder zijn. “Ik zou tenminste hopen, en vertrouw er ook wel op, dat van mijn boeken later gezegd wordt dat het voor hun eigen tijd goede boeken waren. En het zal veel moeilijker zijn om te vinden wat ik als bestuurder voor elkaar gekregen heb. Misschien zegt men later: dat was de man die de ramen open zette, maar gelukkig hebben presidenten na hem ze weer snel gesloten.”

Canon

Frits van Oostrom was de afgelopen jaren ook voorzitter van de canon-commissie, die ons naar de Nederlandse geschiedenis liet kijken door vijftig ‘vensters’. “En dáár”, zegt hij, “ is iets waarvan ik spijt heb: dat we geen venster gemaakt hebben over muziek. Het zou zo’n mooie gelegenheid geweest zijn om in het onderwijs álle leerlingen met klassieke muziek kennis te laten maken. Al is het maar door ze Eine kleine Nachtmusik te laten horen.”

“Ja”, zegt van Oostrom, “toen had ik, heel on-Nederlands, voor één keer moeten zeggen: ik ben de president en ik wil het Concertgebouw als venster. Dan desnoods de patriotten er maar uit.”