Cannes was dit jaar een festival van degelijkheid

Cannes bood dit jaar weinig uitschieters, naar boven noch beneden. Morgen wordt de Gouden Palm uitgereikt. Een favoriet is de animatieoorlogsfilm ‘Waltz With Bashir’.

Meestal wordt het over televisie gezegd, maar misschien is film momenteel wel het echte venster op de wereld. Tijdens de 61ste editie van het filmfestival van Cannes waren opmerkelijk veel sterke films te zien, die de blik richten op de sociale en politieke werkelijkheid, of ze nu afkomstig waren uit België of Italië, uit Brazilië of de Filippijnen.

Uit Latijns-Amerika kwamen twee opvallende films met een maatschappelijke invalshoek. De Argentijn Pablo Trapero regisseerde het gevangenisdrama Leonora, over een jonge vrouw (zijn echtgenote Martina Gusman), die een kind krijgt en het moet opvoeden in een vrouwengevangenis. De prijs voor beste actrice mag naar Martina Gusman, die haar terneer geslagen personage op een prachtige manier langzaam laat opleven. De Braziliaan Walter Salles laat de romantiek van een film als The Motorcycle Diaries achter zich in het Linha de passe, dat hij samen regisseerde met Daniela Thomas; een bijna documentair portret van vier jongens in een kansarm gezin in Sao Paulo. Ook de Italianen waren vertegenwoordigd met twee opmerkelijke films: het grauw realistische Gomorrah, dat de onderwereld van Napels ontdoet van iedere glamour, en Il Divo van Paolo Sorentino, een origineel en geestig portret van de omstreden staatsman Giulio Andreotti. De Waalse broers Jean-Pierre en Luc Dardenne zijn bekend om hun sociaal-realisme. Le Silence de Lorna, met een schitterende rol van de jonge Kosovaarse actrice Arta Dobroshi, is wederom prachtig. De film gaat over een immigrante in België, die een schijnhuwelijk aangaat met een drugsverslaafde (Dardennesveteraan Jérémie Renier).

Voor wie even genoeg had van alle sociale ellende, was er Un conte de Noël van Arnaud Desplechin, een ensemblefilm over een excentriek gezin met prachtrollen voor Catherine Deneuve, als een ijskoude matriarch, en de onweerstaanbare Mathieu Amalric als de bad boy van de familie. De prijs voor beste acteur mag best naar Amalric. Desplechin heeft goed gekeken naar The Royal Tenenbaums van Wes Anderson, maar hier is de namaak beter dan het origineel.

De op de vorm gerichte auteursfilms steken wat bleek af bij het geëngageerde werk. De Turkse Cannesfavoriet Nuri Bilge Ceylan (Uzak) haalt zijn bekende, hoge niveau in het overspeldrama Three Monkeys (Uc Maymun). Hij vermengt zijn observerende stijl voor het eerst met magisch-realistische en thrillerelementen. La Mujer Sin Cabenza van de Argentijnse Lucretia Martel en Delta van de Hongaar Kornel Mundruczo blijven beide dicht bij de persoonlijke droomwereld van de regisseur. Knap gemaakt, maar vooral de film van Martel komt autistisch over door haar erg particuliere wereld.

Het spel met de fictie en werkelijkheid in Synecdoche, New York voelt enigszins gedateerd aan. Het regiedebuut van scenarist Charlie Kaufman (Being John Malkovich) gaat over een depressieve toneelregisseur (Philip Seymour Hoffman) die worstelt met zijn angst voor de dood. Hij begint een groot theaterproject, waarin elk probleem nog eens wordt nagespeeld en uitvergroot. Synecdoche, New York is een film over depressie en vervreemding, die de toeschouwer vervreemd achterlaat; de grootste teleurstelling van het festival.

Dat geldt in mindere mate ook voor het ambitieuze Che van Steven Soderbergh, een vier uur durend epos over het leven van Ernesto ‘Che’ Guevara. Prachtige beelden, maar ze blijven leeg, net als de guerillaleider zelf (Benicio Del Toro). Dit was een slechte week voor de investeerders die zestig miljoen dollar hebben gestoken in de film, die nog steeds niemand wil uitbrengen in de Verenigde Staten (en in Nederland).

Na een reeks recente flops profiteerde Woody Allen met Vicky Cristina Barcelona van de wet van de lage verwachtingen. De film, met Scarlett Johansson, Penélope Cruz en Javier Bardem in een driehoeksverhouding, is bij vlagen amusant, ondanks het flinterdunne verhaaltje en de toeristische plaatjes van Barcelona. Clint Eastwood haalt niet zijn hoogste niveau, maar leverde een solide en serieus drama af met The Changeling, over een alleenstaande moeder (Angelina Jolie) wier zoon is gekidnapt in Los Angeles in de jaren twintig.

Cannes was dit jaar het festival van de degelijkheid. Veel films waren redelijk tot goed en zeer goed, maar er waren weinig uitschieters, zowel naar boven als naar beneden. Dat Serbis van de Philipijnse regisseur Brillante Mendoza is bestempeld tot de film die het minst te zoeken had in de competitie, is onterecht. De sfeertekening van een armoedig gezin, dat een pornobioscoop drijft die dienst doet als ontmoetingsplaats voor homo’s, is indringend. Het geluid van de film is ook opmerkelijk: steeds snerpen de geluiden van de grote stad door de scènes heen.

Dat vormvernieuwing en engagement elkaar niet uitsluiten, bewijzen Waltz With Bashir van Ari Folman en Hunger van de Britse beeldend kunstenaar Steve McQueen. Hunger, het meest besproken debuut van het festival, is in kleur en compositie een verbijsterend mooie kunstfilm én een obsessieve en spannende reconstructie van de omstandigheden waaronder IRA-gevangenen begin jaren tachtig leefden in de Maze-gevangenis in Noord-Ierland. De animatiefilm van Folman is een meesterlijke anti-oorlogsfilm over de herinneringen van de regisseur aan de inval van het Israëlische leger in Libanon (1982). Hij moet de Gouden Palm krijgen.