Altijd achter die voedselpiek

Een symbool is-ie voor de vaderlandse natuur: de grutto. Maar het lijkt onmogelijk hem te beschermen. Maaibeleid leidt ook al tot bijna niks. Koos Dijksterhuis

Drie jaar lang heeft Hans Schekkerman het effect van gruttovriendelijk graslandbeheer op de overleving van gruttokuikens onderzocht. Zijn conclusie: de maatregelen die boeren nemen zijn onvoldoende om grutto’s te behouden. Want later gras maaien, het belangrijkste onderdeel van het graslandbeheer, bevordert het broedsucces van de grutto lang niet genoeg. Schekkerman promoveert er 26 mei op aan de Rijksuniversiteit Groningen.

In 1975 broedden er in Nederland nog 120.000 paar grutto’s. Tweederde daarvan is verdwenen: op dit moment zijn het er naar schatting nog 38.000. Vogelbeschermers en boeren waren het er altijd over eens: dat er op de weilanden steeds vroeger gemaaid wordt, is funest voor grutto’s. Het gras voor de koeien kan tegenwoordig drie weken eerder gemaaid worden dan veertig jaar geleden, toen nog een heleboel grutto’s in de lente hun naam riepen.

Tegenwoordig zijn half mei de meeste weilanden al gemaaid, juist als het kleine grut uit de eieren kruipt. Ze beginnen meteen op hun lange poten achter insecten aan te jagen. De 150.000 tot 200.000 insecten die een gruttokuiken nodig heeft in de eerste weken van zijn leven, vindt hij vooral in lang gras. Een kuiken weet in lang gras 31 procent meer prooien te vangen dan in gemaaid gras. Dat maakt het verschil tussen overleving en hongerdood.

Boeren met grasland krijgen daarom geld van de overheid als ze op 1 juni of nog later beginnen te maaien. Zo wordt het opbrengstverlies door later maaien gecompenseerd. Tussen 2000 en 2005 is daar 120 miljoen euro aan besteed. Dat is niet alleen voor grutto’s bedoeld, maar ook voor weidevogels als kievit en tureluur.

Maar de grutto is het vlaggeschip van onze weidevogels. Buiten Nederland broeden ze nauwelijks, en geen mens wil de roodbruine vogel die met zijn lange poten op een paal in de wei staat, kwijtraken. Tenslotte zijn de kemphaan, watersnip en veldleeuwerik ook al verdwenen. In 2003 begon de campagne Nederland Gruttoland met 53 boerderijen die zogenoemd mozaïekbeheer op hun weilanden loslieten. Daar werd niet alleen laat gemaaid, maar ook in ten minste drie etappes, zodat niet al het lange gras in één keer weg is. Maar het aantal grutto’s bleef dalen.

Schekkerman heeft nu aangetoond dat laat en in drie etappes maaien wel helpt, maar niet genoeg. Hij richtte zich vooral op kuikenoverleving, die de laatste jaren sterk is gedaald, van 0,8 kuiken per broedpaar in 1980 tot 0,2 in 2005. Hij mat de overleving en aantalsverloop van grutto’s in zes weidegebieden met op grutto’s aangepast maaibeheer. Er blijven op laat gemaaid land meer kuikens in leven dan op vroeg gemaaid land: per gruttopaar schopt gemiddeld 0,28 kuiken het tot volwassenheid, tegenover 0,16 op vroeg gemaaid land. Maar al is dat bijna twee keer zoveel, het moeten er veel meer zijn om het aantal grutto’s gelijk te laten blijven: 0,6 jongen per paar.

Laat en gefaseerd maaien helpt dus wel, maar lang niet genoeg om de gruttostand op peil te houden – laat staan om die weer te laten groeien. En dat komt volgens Schekkerman doordat er in de landbouw veel meer ten nadele van grutto’s is veranderd dan alleen de maaidatum. “Het gras wordt niet alleen drie weken eerder gemaaid, het is ook veel productiever geworden. De verscheidenheid aan plantensoorten is sterk afgenomen en de grasmat werd steeds dichter. Daar leven niet eens zoveel minder insecten in dan in een opener, gevarieerde vegetatie. Maar die insecten zijn in de ondoordringbare grasmat door gruttokuikens waarschijnlijk lastig te vangen.”

Bij het kelderen van de gruttostand speelt ook klimaatverandering een rol, blijkt uit Schekkermans onderzoek. De eerste maaibeurt valt al sinds de jaren vijftig steeds vroeger – waarschijnlijk door betere bemesting. Maar aanvankelijk pasten grutto’s zich aan dat vroegere maaien aan, door ook steeds eerder te broeden. Pas toen in de jaren tachtig de lentes in Nederland warmer werden, konden grutto’s de opschuivende maaidatum niet meer bijbenen. Het broedseizoen schuift niet meer mee.

Dat maakt de omstandigheden steeds ongunstiger voor kuikens. Bijna al het gras is al gemaaid als de eieren uitkomen. Het lijkt op de problemen waar koolmezen en bonte vliegenvangers mee kampen: de lente wordt warmer, de vegetatie groeit eerder, maar de vogels kunnen zich niet zo snel aanpassen, waardoor hun kuikens de voedselpiek missen.

Het steeds grootschaliger geworden weideland, zonder glooiingen, greppels of hoge graspollen, zet de grutto’s eveneens onder druk. Het monotone grasland ontneemt jonge grutto’s de kans op dekking tegen op kuikens beluste roofdieren. Schekkerman stelde vast dat de belangrijkste doodsoorzaak van kuikens predatie is. “Vijftig tot tachtig procent van de kuikens wordt opgegeten door roofdieren”, zegt hij.

Om predatie op grutto-eieren vast te leggen, heeft Schekkerman samen met collega Wolf Teunissen een paar jaar geleden gruttonesten gefilmd. De topdrie van kuikeneters was een verrassing: buizerd, hermelijn en blauwe reiger. Vossen en kraaien, vaak gezien als de grootste killers, waren dat juist niet. De kraai rooft slechts 6 procent van de kuikens. Vossen spelen een marginale rol, net als huiskatten, ooievaars, en torenvalken. Vossen eten wel eieren. Het onderzoek deed veel stof opwaaien: GroenLinks stelde Kamervragen, omdat minister Veerman juist toen besloot de jacht op vos en kraai te vergemakkelijken.

“Maar predatie is de laatste veertig jaar wel toegenomen”, zegt hij. “Buizerds waren er in 1965 niet in de polders. Voor zover roofvogels in die tijd niet werden doodgeschoten, werden ze onvruchtbaar als gevolg van het insecticide DDT. Ondertussen is het platteland gekoloniseerd door de roofvogels, mede dankzij de parken en bosjes die er zijn aangelegd.” Toch is de bioloog niet voor het bestrijden van roofdieren. “Lukraak buizerds verjagen of vossen afschieten helpt echt niet”, zegt hij.

“Behalve laat maaien moet je ook zorgen dat die laat gemaaide grasmat geschikt is voor kuikens, met een gevarieerde en open vegetatie. Dat kan door bemesting en waterstand aan te passen. Dat zijn ingrijpende maatregelen die lastig te combineren zijn met een commerciële bedrijfsvoering.”

Bovendien hebben zulke ingrijpende maatregelen volgens de onderzoeker op termijn geen effect. “Dat zou geldverspilling zijn en het draagvlak voor agrarisch natuurbeheer om zeep helpen”, zegt hij. “Er is niet genoeg geld voor alle weidegebieden, tenzij het Europese landbouwbudget niet langer aan intensivering wordt besteed, maar aan natuur en landschap. Maar dat zie ik voorlopig niet gebeuren.

“Als de melkprijs blijft stijgen, levert gras meer op en zullen de gederfde inkomsten stijgen en dus ook de kosten van compensatie. De druk op de weilanden neemt alleen maar toe. Je kunt beter een paar kansrijke gebieden goed aanpakken, dan overal een beetje aan te modderen.

“Laten we de middelen daarom concentreren in grote, open weidegebieden waar nog veel grutto’s zitten en waar weinig predatie is. Als daar laat en in etappes gemaaid wordt, en voorzichtiger bemesten en minder ontwateren tot een opener grasmat met meer grassoorten leidt, dan kunnen daar tenminste nog grutto’s overleven.”