Zoete wraak van Lucifer

Componist Louis Andriessen en regisseur Hal Hartley brengen tijdens het Holland Festival de opera La Commedia. Hemel, vagevuur en hel volgens Dante, Bosch en Vondel. „Het is een reis door het leven.”

I „Zo zijn onze noten voor jou, en als je / ze niet snapt, dan snap je het Laatste Oordeel niet, / dan snap je het nooit.” Helemaal aan het einde van Louis Andriessens nieuwe opera La Commedia, of eigenlijk ná het einde, wendt een kinderkoortje, dat al een keer eerder voorbij is gekomen, zich met deze woorden tot de zaal. Nog even provoceren, nog even een lange neus trekken naar het brave publiek in de pluchen stoeltjes van Carré. In ouderwetser termen: de bourgeoisie nog even wakker schudden.

„Je moet het horen met een smile”, zegt Andriessen in zijn Amsterdamse werkhuis, met uitzicht op de gracht. Wat er dan precies te ‘begrijpen’ valt aan die noten, daarvoor moet je volgens hem bij Dante zijn. Toch verraadt de vertaling wel degelijk de hand van Andriessen. Want Dante schrijft: „Quali son le mie note a te,” waarbij ‘note’ eerder zoiets als ‘notities’ of ‘geschreven mededelingen’ betekent. Het is Andriessen die de zin een muzikale lading geeft: „ík vat het op als muzieknoten.”

De afsluitende draai naar het publiek, vertelt hij, is geïnspireerd op de komische eenakter Gianni Schicchi van Puccini. Die opera gaat over een beroemde Florentijnse bedrieger, die door zijn tijdgenoot Dante in La Divina Commedia in de hel werd geplaatst.

Andriessen werkte vier jaar aan zijn opera, die grotendeels gebaseerd is op Dante’s beroemde veertiende-eeuwse epos. Hij vulde het aan met teksten van onder meer Vondel (uit Lucifer en Adam in ballingschap) en uit het Oude Testament (Hooglied). Twee delen dragen bovendien titels van schilderijen van Jeroen Bosch: Het narrenschip en De tuin der lusten.

Uit deze mix van invloeden maakte hij een voorstelling die enerzijds handelt over de grote thema’s van het leven: goed en kwaad, liefde, dood, maar anderzijds net als die historische voorbeelden ruimte biedt voor grapjes en banaliteiten.

In 2005 vond een concertante voorpremière plaats van deel II, Racconto dall’Inferno, dat als eerste was voltooid. Het publiek kon tussen kolkende en bruisende verklankingen van het hellevuur ook alvast kennismaken met verwrongen kinderliedjes en een vrolijk trommelscheetje op de tekst ‘Ed egli avea del cul fiatto trombetta’ (‘En met zijn reet gaf hij een trompetstoot’).

IILa Commedia heeft vijf delen. Naast Inferno, Purgatorio (vagevuur) en Paradiso, ook te vinden bij Dante, voegde Andriessen een vertelling toe over de gevallen engel Lucifer, en een deel over de boottocht naar de stad van Dis, in de onderwereld.

Bij het componeren vertrekt Andriessen altijd vanuit de grote vorm, een basisplan, dat hij gaandeweg gedetailleerder invult. In dit geval was het basisplan die vijfdeligheid: „Het moest een volle hand worden. Daar was geen speld tussen te krijgen, maar vraag me niet waarom.” De delen krijgen een (werk)titel en een globaal karakter: „Ik denk dan na over de grote vorm van zo’n deel, de karakteristiek, de dramatische kant, atmosfeer, tempo, al die dingen.”

Welke tekst van Dante in welk deel thuishoort, is onderdeel van die globale planning. Maar welke van de vele duizenden dichtregels van Dante er uiteindelijk precies in het veel kortere libretto belandden, besloot Andriessen vaak pas op het laatst: „De keuze van de feitelijke tekst is een detail, millimeterwerk op het moment dat je dáár bent aangekomen.”

De redenen om een bepaald fragment te kiezen, verschillen. Sommige zijn belangrijk voor het globale verhaal, andere koos hij om persoonlijke redenen. In deel vier bijvoorbeeld loopt Dante door het vagevuur, en dan ziet hij in de verte een muzikant aankomen: Casella. „Die móest in mijn opera,” zegt Andriessen, „want als klein jongetje speelde ik al pianostukjes van Casella [waarschijnlijk diens verre nazaat, Alfredo Casella (1883-1947) – JV], die mij muzikaal erg hebben gevormd.”

Andriessen vindt dat hij met die selectieve, deels toevallige werkwijze aansluit bij het karakter van de Divina Commedia: „Als je je met zo’n boek wilt bemoeien, moet je de hoop opgeven er iets overzichtelijks van te kunnen maken. Het boek zelf is heel caleidoscopisch, en staat vol met verwijzingen naar allerlei andere dingen.”

Wel hield hij vast aan de volgorde. Op een enkele uitzondering na verschijnen alle tekstfragmenten op hun ‘natuurlijke’ plek. „Ik heb me dus ook gehouden aan het idee dat er een tocht wordt afgelegd,” zegt Andriessen. „Via de hel en het vagevuur naar wat Dante dan het ‘Paradijs’ noemt.”

IIIHet zwaartepunt van de voorstelling ligt in het midden, in deel III, Lucifer. De grote dalende beweging die al in Racconto dall’Inferno begint, wordt hier voortgezet. „Daar klinkt wat men vreest van Andriessen”, zegt hij. „Heel erg onaangenaam, ook dankzij het onderwerp. Maar in de delen daarna krijg je lucht, en wordt het nog behoorlijk mooi.”

De teksten voor Lucifer, de gevallen Engel wiens geschiedenis bij Dante goeddeels ontbreekt, ontleende Andriessen aan Vondel. Door ze op eigenaardige plekken open te knippen en aan elkaar plakken, ontstond een vervreemdende abstractie. „Ik heb ze zo in elkaar geschroefd dat het een soort Lucebert wordt”, zegt Andriessen. Niet dat Vondels taal dat nodig had, want daar is hij enthousiast over: „Helemaal niet dat rare deftige waar we altijd aan denken, maar juist heel fel en brutaal.

„Dat eigenaardige verhaal van Lucifer en de val van de goden interesseerde me al veel langer”, vervolgt hij. „Misschien had ik het idee dat Lucifer ook wel gelijk had, dat het helemaal geen goed idee is geweest om de mens te scheppen.”

Lucifers wraak is zoet, hij weet zelfs God zelfs tot wanhoop te drijven. Als Adam van de beruchte appel eet, roept God volgens de trotse Lucifer: „Helaas, nu rouwt het Mij, dat Ik ooit mensen schiep.”

Het moet volgens Andriessen allemaal symbolisch worden opgevat. Hel, hemel en vagevuur bestaan niet echt, maar komen in het leven voor als situaties, als fases waar de mens doorheen gaat. „Zo bezien wordt eigenlijk alles mythologie”, zegt hij. „Dan is zo’n stuk een reis door je eigen leven, of door ‘het leven’. Dat is ook het hoofdonderwerp: groot worden, oud worden, doodgaan.”

Het zijn zware woorden, die extra gewicht krijgen uit de mond van iemand die onlangs, na langdurige ziekte, zijn vrouw verloor. Een enkele keer refereert hij aan haar, bijvoorbeeld met de verontschuldiging dat er nu niemand meer is die zorgt voor een koekje bij de thee. Hij droeg de opera aan haar op.

IV”Eigenlijk componeer ik nooit overgangen”, zegt hij als de muziek ter sprake komt. Het steeds maar weer zorgvuldig laten evolueren van de muziek van sfeer, materiaal of toonsoort A naar B vindt hij iets voor ‘zwakkere broeders’ in het componeren. „Je kunt dat ook gewoon weglaten.”

Maar ook het componeren van niet-overgangen, om de karakteristieke abrupte wisselingen in Andriessens muziek maar even te benoemen, is een kwestie van doelbewuste compositorische planning: „Als ik weet wat ik aan het doen ben, en weet waar ik terecht wil komen, ben ik natuurlijk wel degelijk bezig met zorgen dat dat tweede een verrassing is.”

Wat er zijdelings mee te maken heeft, is het verschijnsel van de ‘uitgestelde klap’: áls je dan ergens in Andriessens muziek een vreselijke dreun verwacht, komt die altijd toch net iets later dan gedacht. Dat heeft hij niet van een klassieke componist geleerd, zegt hij, „maar gewoon van slagwerker Han Bennink.”

Timing, klank, uitvoeringspraktijk: op alle mogelijke vlakken heeft Andriessen al een lange geschiedenis van het doorbreken van klassieke conventies. Zijn bewondering voor de Italiaanse zangeres Cristina Zavalloni (hier in de rol van Dante) is er een logisch uitvloeisel van. Ze begon als popzangeres en -danseres, en stapte daarna pas over naar de ‘klassieke’ wereld, zonder haar afkomst te vergeten. Ze is een performer, met een groot, onalledaags repertoire aan stemgeluiden en uitdrukkingswijzen.

Het eerste deel van La Commedia dat Andriessen voltooide, Racconto dall’Inferno, schreef hij speciaal voor Zavalloni. „De meeste zangeressen kunnen maar één dingetje”, zegt hij. „Zij kan ‘ongeschoold’ klinken, maar ook als een woeste Russische gravin. De klassieke zangtechnieken kan ze desgewenst aan- of uitzetten, en dat is een voorwaarde voor mijn muziek.”

VDe opera als tocht door het leven: ook in een letterlijker zin is die opvatting op La Commedia van toepassing. Ergens in het tweede deel klinken zwaar neerploffende akkoorden die zo uit Andriessens De Snelheid (1983) zouden kunnen komen. Andriessen bevestigt het: „Er wordt naar allerlei dingen verwezen, en dat heeft zeker ook een autobiografische kant.”

Hij vertelt hoe hij in een vroeg stadium zijn plannen toelichtte aan Pierre Audi, intendant van de Nederlandse Opera. „Goh,” reageerde die, „dus het wordt eigenlijk een soort samenvatting van wat je tot nu toe allemaal gedaan hebt?” Zo is het niet, zegt Andriessen. „Er zit namelijk ook een heleboel in dat ik nog níet gedaan had.” Volgend jaar wordt hij zeventig, maar terugblikken is nog niet aan de orde, zegt hij. „Wel verwijzen naar wat zich zo voordoet tijdens een reis. En dan kom je jezelf soms tegen.”

La Commedia van Louis Andriessen. Regie: Hal Hartley, decors: Paul Clay. Muziek door Asko Ensemble, Schönberg Ensemble, Synergy Vocals en De Kickers van Muziekschool Waterland o.l.v. Reinbert de Leeuw. 12/6 t/m 18/6 Koninklijk Theater Carré, Amsterdam. Info: www.hollandfestival.nl.

Rectificatie / Gerectificeerd

Foto bij Andriessen

Bij het artikel over Louis Andriessen (CS, 23 mei) ontbrak het fotobijschrift: ‘Actrice Nathalie Smoor in Hal Hartleys film bij La Commedia.’