Wie las nou de oude Grieken?

Een Franse historicus beweert dat de kennis van de Griekse denkers in Europa altijd is blijven bestaan. De islamitische vertalers waren daarvoor niet nodig. Maar klopt zijn theorie?

Sylvain Gouguenheim: Aristote au Mont-Saint-Michel. Les racines grecques de l’Europe chrétienne. Seuil, 282 blz. €26,-

Waar heeft Europa de moderne wetenschap en de Verlichting vandaan? Van de Grieken of van de islamitische beschaving? Alléén van de Grieken, zo stelt Sylvain Gouguenheim, hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis in Lyon, in een boek dat vorige maand in de Franse pers flink wat stof deed opwaaien. Een veel gebruikelijker antwoord op die vraag luidt: van allebei een beetje. Het begin van het geordend rationele denken, en de eerste aanzetten tot een wetenschappelijke benadering van de natuurverschijnselen, zijn bij de Grieken te vinden, en Europa heeft ze opgepikt en verder uitgebouwd. Maar toen na de val van het Romeinse Rijk die Griekse kennis in Europa verloren was gegaan, is de islamitische beschaving voor dat oppikken onmisbaar geweest.

In het Bagdad van de Abbasiden (8ste- 9de eeuw) zijn tal van handschriften met Griekse wetenschappelijke en wijsgerige teksten in het Arabisch vertaald, zoals van Ptolemaeus en Aristoteles. Die teksten zijn vier eeuwen later weer in het Latijn vertaald in Toledo, toen de christenen die stad op de islam hadden heroverd. Zo is bijvoorbeeld Thomas van Aquino aan zijn kennis gekomen. Van daar lag de weg open naar de ontdekking van de eerste natuurwetten en de Verlichting.

Op dit standaardbeeld is van alles aan te merken. Zo zijn sommige enthousiaste propagandisten van een modernisering van de islam niet tevreden met de rol van doorgeefluik. Zij spannen zich in om aannemelijk te maken dat de beschaving van de islam zelf al een Verlichting heeft doorgemaakt. Kijk maar naar de 11de-eeuwse wijsgeer Ibn Roesjd (Averroës), een rationalist bij uitstek, en in zijn verzet tegen obscurantistische zedenprekers als al- Ghazali eigenlijk al een halve Voltaire.

Terecht laat Gouguenheim van dit soort overdrijvingen weinig heel. In het beste hoofdstuk, ‘Beschavingsproblemen’, zoekt hij een verstandig midden tussen twee noties: enerzijds dat beschavingen noodzakelijk met elkaar botsen, anderzijds dat aan onderlinge uitwisseling in het geheel geen grenzen zouden zijn gesteld. Maar intussen is zijn eigenlijke doel veel radicaler: hij wil het hele idee onderuit halen van de islam als onmisbare schakel in de keten van de oude Grieken naar het moderne Europa. Zijn bewijsmateriaal zoekt hij zowel in Oost als in West.

Zo betoogt hij dat de grote vertaalslag in Bagdad niets met de islam te maken heeft gehad. De teksten die in het Bagdad van de 8ste eeuw werden vertaald, stonden al niet meer in het oorspronkelijke Grieks, maar waren eerder door christelijke geleerden vertaald in het Syrisch. En het waren ook weer christelijke geleerden die die Syrische en soms ook Perzische vertalingen omzetten in de taal van de Koran. De namen ogen wel Arabisch, zoals Hoenayn al Ishaq of Thabit ibn Qoerrah, maar het is een misverstand te denken dat ze moslims waren. Gouguenheim stelt zelfs een heel lijstje op met korte cv’s waaruit hun christelijke geloof duidelijk moet blijken.

Tot hier toe biedt Gouguenheim weinig nieuws; dit staat te lezen in elke competente geschiedenis van de natuurwetenschap. Waar ik eerst wel van opkeek, is de andere lijn in Gouguenheims betoog. Hij probeert namelijk aan te tonen dat Europa het nooit zónder Griekse kennis heeft hoeven stellen. Zelfs tijdens de periode die doorgaat voor de ‘Dark Ages’, zwierven er altijd wel Byzantijnen rond die zich bezighielden met het verspreiden van oude Griekse kennis. En zo zijn er diverse ‘renaissances’ geweest, de Karolingische van de 8ste en 9de eeuw en de zogeheten ‘Renaissance van de 12de eeuw’. Gouguenheim betoogt dat zo’n keer op keer herhaalde culturele opbloei een doorgaande lijn vormt in de vroegmiddeleeuwse geschiedenis, waar de verbreiding van Griekse geleerdheid krachtig aan bijdroeg.

Een hoogtepunt bereikt dit alles in Normandië, waar in de abdij van Mont Saint Michel een hele reeks teksten rechtstreeks uit het Grieks in het Latijn wordt vertaald. Centraal staat een zekere Jacob van Venetië, van wie we alleen maar weten dat hij lang in Byzantium heeft gewoond. Omstreeks 1125, meer dan een halve eeuw vóór Gerard uit Cremona naar Toledo trok, vertaalde deze Jacob onder meer het hele werk van Aristoteles uit het Grieks in het Latijn. Dat is allemaal al meer dan een halve eeuw geleden uitgezocht door de Italiaanse mediëvist Minio-Paluello, alleen heeft vóór Gouguenheim niemand er ooit de portee van ingezien. En denk niet dat het bij een enkel handschrift is gebleven. Alleen al van Aristoteles’ Physica zijn in Jacobs vertaling in de 13de eeuw zo’n honderd handschriften door Frankrijk en Engeland verspreid geraakt. Kortom, de kennis van de oude Grieken is nooit uit Europa weggeweest, Europa kon op eigen houtje tot Verlichting komen, de beschaving van de islam stond er alleen maar bij en keek er zelfs niet naar. Tot zover Gouguenheim.

Wat moeten we met die boodschap? In Frankrijk is er nogal aanstoot aan genomen. Zo hebben critici Gouguenheim voor de voeten geworpen dat zijn boek voortkomt uit angst, uit de drang zich in het eigen hol terug te trekken. Natuurlijk roept zijn these allerlei hedendaagse sentimenten op. Maar maakt het al dan niet onderkennen van een bijdrage van de islam aan de opkomst van Wetenschap en Verlichting nu echt uit voor de manier waarop we vandaag de dag in Europa met onze islamitische medeburgers hebben om te gaan? Laten we ons liever concentreren op de enige vraag die er toe doet. Wordt hier adequate geschiedschrijving bedreven? Deugt het bewijsmateriaal?

Het grote probleem met dit boek is dat Gouguenheim voorbijgaat aan de kwaliteit van de vertalingen waar hij zich op beroept, en aan wat er inhoudelijk met de vertaalde teksten is gedaan. Neem de Bagdadse vertaalslag. Daaraan is niet het interessantste dat die voor een deel op naam staat van christenen, maar dat de vertaalde teksten aanleiding hebben gegeven tot een geweldige creatieve opbloei. Vooral op het gebied van de wis- en sterrenkunde en de optica hebben moslimgeleerden belangrijke inzichten toegevoegd aan wat ze in teksten als die van Ptolemaeus konden vinden. In de enige passage die Gouguenheim wijdt aan de stand van de wiskundige wetenschap in middeleeuws Europa noemt hij de 13de-eeuwer Witelo. Hij schijnt niet te weten dat het boek van die Witelo niet meer dan een tweedehands afleggertje was van het 11de-eeuwse werk van Ibn al- Haytham. Onder de naam ‘Alhazen’ heeft diens werk, in Toledo uit het Arabisch vertaald in het Latijn, het Europese denken over licht en zien gedomineerd tot in de 17de eeuw. Kortom, een onderschatting van wat moslimgeleerden met de Griekse kennis aan creatiefs hebben verricht.

Tegelijk zet Gouguenheim veel te fors aan wat er in de ‘Dark Ages’ aan Griekse kennis in Europa bekend zou zijn gebleven. Weliswaar heeft hij er gelijk in dat we geneigd zijn te vergeten dat ook na de val van het Romeinse rijk de contacten met Byzantium nooit helemaal zijn afgebroken, en dat hier altijd wel een verdwaalde Griek rondliep die over enige kennis beschikte van zijn eigen ‘wortels’. Maar wat stelde die kennis nu eigenlijk voor?

Aanvankelijk was ik geïmponeerd toen ik hoorde van de reeks vertalingen van Jacob van Venetië, zo rechtstreeks uit het Grieks in het Latijn. Wel vroeg ik me meteen af waar dan al die latere inspanningen in Toledo voor nodig zijn geweest. Waarom moest Gerard zo nodig uit de derde hand overdoen wat Jacob al uit de eerste hand had gewrocht? En ook vroeg ik me af hoe het zat met het latere vrijkomen van al die Griekse teksten toen in 1453 Byzantium door Sultan Mehmet II werd veroverd. Die teksten zijn vervolgens in Italië in het Latijn vertaald, door geleerden die dolblij waren nu eindelijk eens rechtstreeks kennis te kunnen nemen van wat de Grieken ooit hadden bedacht. Hoe konden ze daar zo van opkijken, als Jacob van Venetië ze al voor was geweest?

Gouguenheim stelt zich die vraag helemaal niet, zijn kennis van de wetenschapsgeschiedenis houdt niet over, hij interesseert zich niet voor wat er met de vertaalde teksten is gedaan. Het weinige dat hij ervan weet, haalt hij uit verouderde Franstalige literatuur. Gek genoeg voor iemand die juist zo’n punt maakt van de voordelen van originele teksten is Gouguenheim zelf uitsluitend op de hoogte van die weinige Engelstalige studies over zijn eigen onderwerp die hem in Franse vertaling ter beschikking staan. Hij ziet ook de portee niet van zijn eigen terloopse opmerking aan het eind van zijn boek, dat Jacob van Venetië zijn vertalingen maakte bij wijze van woord-voor-woord overzetten. Dat is zo ongeveer de primitiefste vorm van vertalen. In Bagdad en Toledo ging het eerst ook zo toe, maar al gauw werkten de vertalers daar zich op tot een hoger niveau, waarbij aan de samenhang tussen woorden en zinnen recht werd gedaan.

Terecht dus is Jacob van Venetië niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis gebleven. Gouguenheims poging hem in zijn ouderwetse, Eurocentrische betoog tot spilpunt te verheffen is mislukt. Europa had niet het monopolie op Griekse kennis. De Bagdadse vertaalslag heeft de aanzet gevormd tot een indrukwekkende opbloei van natuurwetenschappelijk inzicht, op een niveau dat Europa pas in de Renaissance heeft bereikt en waar de middeleeuwse helden van Gouguenheims boek niet van hadden kunnen dromen.