Voorstelling

In de voorruimte van W139 stond een kleine man hoofdschuddend voor een wand met schilderijen. Ik kon niet ontdekken wat de reden was voor zijn meewarig hoofdbewegen. Aan weerszijden van de ruimte hingen uitbundige schilderijen. Links zag ik amorfe vormen als uitvergrote amoebes op de wand krioelen. Een hart van dof zilverfolie, met uitwaaierende randen van bonte kleuren, direct op de wand aangebracht. Rechts hingen afzonderlijke werken naast elkaar. Ze hadden met elkaar gemeen dat ze waren gemaakt in felle, primaire kleuren, en met een voor het oog aanstekelijk gemak.

Het geheel vormde het decor voor een performance, waarin verschillende acteurs aan het improviseren waren naar aanleiding van de schilderijen. Er hingen geen naambordjes, er was geen plattegrond met uitleg over het werk te vinden. Het was duidelijk niet de bedoeling dat ik zou ontdekken of de schilderijen het werk waren van een enkele, veelzijdige kunstenaar, of dat hier werk van verschillende kunstenaars bijeen was gebracht om een levendig decor te bieden voor waar het werkelijk om draaide: mensen in de ruimte, en hoe zij zich daarin gedragen.

Er was een koppel bezig een ophangsysteem te ontwikkelen. Ze probeerden iets aan de zijkant van een doek te bevestigen. Steeds wanneer het er op leek dat het ze gelukt was, lieten ze het werk uit hun handen glijden en begonnen opnieuw. Ik zag in hun spel de arbeid van de kunstenaar verbeeld, die soms jaren aan iets werkt, en voor anderen onwaarneembare stappen maakt.

Vlak om de hoek zat een man met driftige uithalen een tekening te maken. Op een klapstoel naast hem zat een oudere man die in de verte keek, omhoog. Zijn blik zocht ver voorbij het dak, de stad en de wolken, een punt om op te rusten. Een tasje dat aan zijn arm had gehangen, was om zijn pols gegleden; zijn arm hing slap naast zijn lichaam. Hij moest daar al heel lang hebben gezeten, zo versmolten was hij met zijn stoel. Hij beeldde overtuigend uit hoe onbevredigend het is om met iemand te leven die bezeten is van zijn werk.

Langs de linkerwand van de achterruimte was een web gespannen van blauwe, oranje en gele tape. Een blonde vrouw liep er geagiteerd langs, met hoekige bewegingen die correspondeerden met de manier waarop de lijnen zich een weg baanden langs de wand. Onder de stroken waren potloodlijnen zichtbaar. Ik kon niet zien of de potloodlijnen waren gebruikt om de richting van de brede tape te bepalen, of dat de tape als liniaal had gediend om rechte strepen te kunnen zetten met het potlood. Toen de vrouw tenslotte de ruimte verliet, was het alsof ze langs zilveren, haast onzichtbaar dunne potloodlijnen blauwe, oranje en gele banen in haar snelle pas meetrok.

De maker van deze voorstelling was er in geslaagd om van de tentoonstellingsruimte een podium te maken waarop vragen de hoofdrol krijgen: keek ik naar een schilderij, of naar een decor? En meer in het algemeen: is kunst zelf belangrijk of is het interessanter hoe mensen ermee omgaan? Ik was opgetogen over de manier waarop kunst hier werd ingezet om uitspraken te doen over menselijke verhoudingen.

Bij de uitgang werd ik verrast door de mededeling van een meisje dat achter een grote tafel bij de ingang zat. Morgen gaan we open, zei ze.