Verslaafd aan de voetnoten

Nabokovs Pnin is komisch door de schijn van beheersing die hij ophoudt. Welke lezer kan zeggen dat hij niet op hem lijkt?

Nabokovs Pnin leeft in een universum van nutteloze kennis. De Amerikaanse academische wereld waar de ontwortelde professor deel van uitmaakt, excelleert in het het ontdekken van loze verbanden, het zwelgen in wezenloze feitjes en het spelen met flauwe associaties. Zelf lijkt Pnin zich daar helemaal thuis te voelen. Hij heeft het plan opgevat ‘een Petite histoire van de Russische cultuur te schrijven, waarin een zodanige keuze zou worden gemaakt uit Russische Curiositeiten, Gebruiken, Literaire Anecdotes enzovoort, dat het geheel een weerspiegeling in miniatuur zou zijn van de Grande Histoire – belangrijke aaneenschakelingen van Gebeurtenissen. Hij was nog in het gelukzalige stadium waarin hij zijn materiaal verzamelde.’

En de lezer weet dat professor Pnin altijd in dat stadium zal blijven. Zijn geest houdt zich permanent op in een luchtbel vol schijnbetekenissen; de universitaire wereld vertoont verdacht veel gelijkenis met Plato’s grot. Hijzelf is ‘een aan voetnoten verslaafde maniak […] die de boekenwurmen in een saai, meterdik boekwerk opschrikt om er een verwijzing naar een nog saaier boek te vinden.’ Echte kennis ligt buiten zijn bereik. Iedereen om hem heen husselt de feiten door elkaar, boektitels worden verdraaid, de moordenaar Raskolnikov wordt in het rijtje grote Russen gezet. Pnin is omgeven door vergeten boeken en gedateerde naslagwerken.

Het is duidelijk dat Nabokov ervan geniet die wereld van zinloze feiten zo breed mogelijk uit te meten (‘Tristam W. Thomas („Tom” voor zijn vrienden), hoogleraar in de antropologie, had tienduizend dollar van de Mandoville Stichting gekregen om een studie te maken van de eetgewoontes van Cubaanse vissers en palmboomklimmers’). Meestal is het ook grappig; soms geniet de schrijver zelf zo van zijn hautaine brille dat het daardoor iets minder grappig wordt.

Maar de wereld van Pnin is niet alleen de steriele academische wereld, dat zou al te gemakkelijk zijn. Het is vooral onze wereld. Pnin is een ontwortelde die ronddoolt in een wezensvreemde omgeving; zijn geest klampt zich vast aan talloze details om zich niet al te verloren te voelen. Hij heeft geen greep op de wereld. Hij valt terug op verouderde treinboekjes, hij voegt zich gedachteloos naar lokale gebruiken (‘Tegenwoordig […] deed hij fanatiek aan zonnebaden, droeg sporthemden en sportpantalons en wanneer hij zijn benen over elkaar sloeg spreidde hij weloverwogen, opzettelijk en schaamteloos een enorme lap bloot scheenbeen ten toon’). Alles in zijn leven is contingentie, alles lijkt per ongeluk te gebeuren. Wat komisch is in deze roman wordt veroorzaakt door de schijn van beheersing die Pnin ophoudt en de blinde chaos waardoor hij omringd wordt.

Wie kan zeggen dat hij niet op Pnin lijkt?

Marjoleine de Vos heeft op deze plek geschreven over de plagerige manier waarop Nabokov zijn hoofdpersoon nu eens hulpvaardig overeind helpt en hem dan weer onaangedaan een duw geeft. Het personage Pnin is nu eens belachelijk, dan weer hartverscheurend. Zijn loze kennis blijkt een weermiddel tegen verschrikkingen, een balsem voor diepe wonden. Af en toe dringt een grote pijn zijn onschuldige wereld binnen. Dan is het komische ineens niet komisch meer.

Onverwachte scheuten pijn in zijn hart maken Pnin bewust van zijn eigen nietigheid. Lieflijke, onschuldige herinneringen aan zijn Russische jeugd nemen ineens een inktzwarte kleur aan. Pnin herinnert zich zijn jeugdliefde Mira, die foto’s maakte van ‘huisdieren, wolken, bloemen, een open plek in het lentebos, met berkenschaduwen op sneeuw als natte suiker, soldaten die op het dak van een goederenwagon poseerden, een horizon bij zonsondergang, een hand die een boek vasthield’ – dezelfde Mira die later vermoord werd in Buchenwald. ‘En omdat niet precies geregistreerd was op welke wijze ze gestorven was, bleef Mira in je gedachten een groot aantal doden sterven en beleefde ze een groot aantal wederopstandingen, om telkens opnieuw te sterven, weggevoerd door een gediplomeerd verpleegster, ingeënt met smerigheid, tetanusbacillen, gebroken glas, vergast onder een namaakdouche met blauwzuur, levend verbrand in een groeve op een stapel met benzine doordrenkt beukenhout.’

In het contrast met de achteloze schoonheid van Mira’s artistieke kiekjes en de manier waarop Pnin zich haar gruweldood voorstelt, bevindt zich voor mij het zwaartepunt van deze gespeeld luchthartige roman. Buchenwald ligt ‘op een uur wandelen van Weimar, waar Goethe, Herder, Schiller, Wieland, de onnavolgbare Kotzebue en anderen hebben gewandeld.’ Ook de balling professor Pnin wandelt nog, door het vreemde Amerika, zich manmoedig onbewust houdend van de verschrikkingen om hem heen, tegenslagen negerend, vernederingen wegwuivend, terwijl hij geduldig zijn goede humeur bewaart, tegen de klippen op. Hij is groots in zijn lachwekkendheid.

Dit is de laatste aflevering in de discussie over ‘Pnin’ van Vladimir Nabokov (vert. Else Hoog). Discussieer mee via nrc.nl/leesclub, waar ook eerdere en andere artikelen te vinden zijn. PROGRAMMA 2007-2008:Het dorp Stepantsjikovo (F.M. Dostojevski, okt.) – Bouvard en Pécuchet (Gustave Flaubert, nov.) – Jacobs kamer (Virginia Woolf, dec.) – Een man wordt ouder (Italo Svevo, jan.) – Felix Krull (Thomas Mann, febr.) – Het genadeschot (Marguerite Yourcenar, maart) – Huwelijksverhalen (August Strindberg, apr.) – Pnin (Vladimir Nabokov, mei)