‘Vakbonden zijn concurrenten geworden’

Na vijftien jaar vertrok Hans van Duijn deze week als voorzitter van politievakbond NPB. „Het digitale tijdperk leidt tot grote frustraties.”

Toen Hans van Duijn (60) op zijn negentiende bij de politie aan de slag ging, kreeg hij de laagste functie die er was: matroos bij de rivierpolitie. Hij moest koffiezetten, schepen schoonmaken en dreggen naar lijken. Twee jaar later ging hij naar de politieschool en werd hij lid van de politievakbond NPB. Deze week nam hij afscheid als voorzitter van de bond, een functie die hij bekleedde sinds 1993.

In de jaren 80 was u werkzaam op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Namens toenmalig minister Van Dijk onderhandelde u over de arbeidsvoorwaarden bij de politie. Handelde u niet stiekem vooral in het belang van de politie?

Lachend: „Niet stiekem, wel openlijk.” Dan weer serieus: „Ik heb twee in het oog springende zaken kunnen realiseren voor de politie. De eerste was de VVU-regeling (vrijwillig vervroegd uittreden) toen er in 1988 veel mensen uit moesten bij de politie. Die regeling was zó aantrekkelijk dat gedwongen ontslagen niet nodig waren. Niemand hoefde pijn te lijden, het werkte zowel voor degenen die vertrokken als voor de werkgever perfect. Daarnaast heb ik een start gemaakt met de functiewaardering. Doordat ik toen vertrok naar Amsterdam, heb ik dat niet kunnen afmaken, daar heb ik wel spijt van.”

Waarom ging u zo snel weer terug?

„Ik ben geen prototype ambtenaar. Ik verlangde terug naar het vakbondswerk, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Vakbondsman word je op enig moment, daar kun je geen diploma voor halen. Het ligt volgens mij wel aan je karakter. Mijn gevoel voor rechtvaardigheid is de drive voor de dingen die ik doe.”

Wat is er de afgelopen jaren veranderd aan het politiewerk?

„Een groeiende groep burgers accepteert het verschijnsel politie niet. In een democratie kun je niet zonder politie die optreedt als scheidsrechter, maar deze groep beseft dat niet. Politiemensen krijgen steeds meer met geweld te maken. Dat geldt trouwens ook voor brandweer en hulpverleners.”

Leidt dat tot meer stress?

„De NPB heeft dat ongeveer acht jaar geleden laten onderzoeken door TNO. Toen viel het nog wel mee. Je zou het nu opnieuw moeten onderzoeken om de huidige stand van zaken te meten. Wat wel tot grote frustraties kan leiden, is het digitale tijdperk. Politiemensen moeten letterlijk systemen vullen, maar kunnen die meerwaarde zelf niet uit het systeem halen. Ze moeten extra werk verrichten, maar krijgen daar niets voor terug. Vroeger kon je als agent op straat een papiertje invullen als je iets belangrijks zag. Je kreeg bijna altijd een reactie, op die manier kon je een schouderklopje verdienen. Daar deed je dus je best voor. Nu is die neiging een stuk minder, want je hoort gewoon niks terug.”

In de loop der jaren heeft u vele cao-onderhandelingen gevoerd. Hoe kijkt u daarop terug?

„Meestal was het leuk om te doen. De laatste vond ik minder leuk. Cao-onderhandelingen zijn altijd heel verschillend, het ligt er absoluut aan welke minister je voor je hebt. Zelf heb ik geprobeerd steeds mijn manieren van onderhandelen af te wisselen. Je moet niet voorspelbaar worden.”

De laatste cao is pas tot stand gekomen na maandenlange strijd tussen minister Ter Horst en politieagenten. Een dieptepunt?

„Ja, zo zou je het wel kunnen noemen. Puur op de inhoud beoordeeld vind ik het bovendien een slechte cao. Deze minister had dit nooit zo moeten doen. Ze heeft een hoop geld geboden, maar ik vind het verkeerd geld, omdat het incidentele uitkeringen zijn in plaats van structureel meer loon.”

De vakbonden stonden ook niet op één lijn. Wat vond u daarvan?

„Bonden zijn tegenwoordig concurrenten. Vroeger verraste je elkaar niet, werden strategieën zelfs besproken met de andere bondsvoorzitters. Nu is dat onbespreekbaar. De bonden staan soms lijnrecht tegenover elkaar, ik vind dat geen goede ontwikkeling. Het moet ook niet nog een keer op deze manier gebeuren.”

Had het voor het resultaat veel uitgemaakt als de bonden vanaf het begin op één lijn hadden gezeten?

„Ik vermoed dat de verdeelde vakbeweging qua volume meer heeft opgeleverd. Alleen, ik zeg het nogmaals, in mijn ogen is het verkeerd geld.”

Wat gaat u als eerst doen nadat u het voorzitterschap heeft overgedragen?

„Met de voeten op tafel, lekker wat drinken met mijn familie.”

En daarna?

„Voorlopig heb ik helemaal geen plannen. Sinds 1975 heb ik per week zestig of zeventig uur gewerkt. Ik wil weer eens normaal gaan lezen, niet meer van die ambtelijke stukken. Ook geen onzinnige romans, nee, ik wil me meer gaan verdiepen in andere culturen. Ik ben een atheïst, maar zou wel meer willen weten van verschillende religies. Misschien ga ik wel weer studeren, in deeltijd. Geschiedenis of economie. Alles ligt open. Dat is toch de meest luxueuze positie waarin je je kunt bevinden?”