Terug naar het hondje van de hospita

Mariëtte Haveman: De foto van Faye Finsbury. Cossee, 287 blz. € 19,90

In Het feest achter de gordijnen (1996) verzamelde kunsthistorica Mariëtte Haveman haar beschouwingen over 19e-eeuwse salonkunstenaars als Alma Tadema, Arnold Böcklin en James Tissot. Zij werden, zoals dat heet, ingehaald door hun tijd en hun schilderijen verdwenen na of zelfs al vlak voor hun dood in de kelders van de musea. Deze kunstenaars behoorden niet tot de avant-garde, maar daarom verdienden ze het nog niet onzichtbaar te blijven, aldus Haveman. Zij brak, in bedachtzame, geanimeerde formuleringen, een lans voor deze in de vergetelheid geraakte schilders die zich ooit ten doel stelden om hun publiek ‘te verstrooien, te betoveren en te amuseren’.

Deze bedachtzaamheid en dit oog voor kunstenaars in de marge vind je ook terug in de eerste roman van Haveman, De foto van Faye Finsbury. In de proloog maken we kennis met Maria, een 50-jarige lerares Engels, die een tentoonstelling over de jaren zeventig bezoekt. Onverwacht komt ze zichzelf tegen, op een foto die ooit, dertig jaar eerder, stiekem werd gemaakt door Faye, een bevriende kunstenares. Pijnlijke herinneringen komen boven aan een periode die ze verdrongen meende te hebben. Ze ziet nu in dat ze niet langer aan haar eigen verleden kan ontkomen en dat ze er woorden voor moet gaan zoeken.

Zo gedacht, zo gedaan. In de resterende 270 bladzijden blikt Maria terug op het jaar waarin zij vergeefs actrice probeerde te worden. Waarom zij deze ambitie had en waarom dat per se in Londen moest gebeuren, blijft duister. Wel is er veel aandacht voor het moeizame vinden van huisvesting, voor de hutspotkleurige vloerbedekking van het huurkamertje en voor het lerarenkorps van de toneelschool. Van meet af aan is duidelijk dat op de verhuizing van Dordrecht naar Londen weinig zegen zal rusten.

En zo verrijst een vreugdeloze geschiedenis, met een benepen hospita, saaie, sadistische of berekenende docenten, pinnige studiegenoten, een leugenachtige minnaar en een paar vrienden. En ook die schaarse vrienden blijken bij nader inzien onaangename trekken te hebben. Het enige levende wezen met wie Maria een warme, zij het kortstondige band weet op te bouwen, is het onooglijke hondje van haar hospita.

Al die narigheid was goed te verdragen geweest als Haveman er een mooie of aanstekelijke draai aan had weten te geven. Maar dat is niet het geval. De geschiedenis sleept zich voort, in stroperige, humorloze zinnen. ‘Het duurt even voor ik het feit van Fayes aanwezigheid in de gaten heb’, staat er bijvoorbeeld, onnodig omslachtig. Ergens anders merkt Maria op dat de kritiek van een leraar haar heeft geraakt, ‘maar’, voegt ze daar meteen onlogisch aan toe, ‘alleen oppervlakkig, als iets dat mij niet betreft.’

Haveman beschrijft hoe moeilijk het is voor jonge mensen om zich te handhaven. Misschien had ze daarbij de kunst moeten afkijken van de salonschilders die zijzelf zo opgewekt uit de kelders bevrijdde. Als ze haar lezers ook maar een beetje op hun manier had weten te verstrooien, te betoveren en te amuseren, dan had deze roman er een stuk feestelijker uit kunnen zien.