‘Rotterdam slaat door in repressie’

Rotterdam beknot de vrijheden en rechten van zijn burgers, vindt de Rotterdamse Ombudsman. „De burgemeester hanteert de trukendoos.”

Vanmorgen nog kreeg hij een tip: Rotterdamse ambtenaren die huisbezoeken afleggen, zouden ook nagaan of er in de woning waardevolle goederen staan. Is dat het geval, dan wordt de dienst gemeentebelastingen gealarmeerd. Als dit waar is, zijn „de rapen gaar”, stelt de Rotterdamse Ombudsman, Migiel van Kinderen. „Hoe verzin je het? Big brother raast voort. Het huis is de laatste overheidsvrije zone. Laat de overheid daar wegblijven.”

In Rotterdam gebeurt het tegendeel. Jaarlijks leggen de interventieteams ruim 25.000 huisbezoeken af in de tweede stad van Nederland. Die zijn bedoeld om sociaal-economische misstanden als uitkeringsfraude en huiselijk geweld tegen te gaan. Van Kinderen (58) schreef afgelopen najaar een uiterst kritisch rapport, Baas in Eigen Huis, over „de systematische schendingen” van het huisrecht. „Praktijken die zich hier na de Tweede Wereldoorlog niet meer zouden mogen voordoen.”

Die verwijzing zette kwaad bloed. De grootste oppositiepartij, Leefbaar Rotterdam, drong aan op zijn ontslag. Aan de inhoud van Van Kinderens betoog werden weinig woorden besteed. „Hoewel het college een groot deel van mijn aanbevelingen overnam, drukte de PvdA er een motie doorheen met de oproep de huisbezoeken juist te intensiveren.”

Van Kinderen is de luis in de pels van het Rotterdamse gemeentebestuur. Hij speelt zijn rol met verve. Maar tussen gelijk hebben en gelijk krijgen gaapt een diepe kloof, erkent hij. Zeker in de stad die „grossiert in repressieve maatregelen en daar nog trots op is ook”. De oogst van één week? Een openbaarvervoersverbod (vanaf 1 juni), een avondklok (op het schiereiland Katendrecht) en drie cafés die de deuren moeten sluiten wegens „aanhoudende overlast”. Eerder introduceerde de stad onder meer al het straat-, winkel-, bioscoop- en horecaverbod.

Begin deze maand publiceerde Van Kinderen, geboren in Schiedam en sinds 1992 werkzaam als Ombudsman, zijn jaarverslag over 2007. Kern van zijn boodschap: Rotterdam beknot stelselmatig de rechten en de vrijheden van zijn burgers en verzuimt de broodnodige tegenkrachten te organiseren. De groei van het aantal onorthodoxe maatregelen houdt geen gelijke tred met adequate informatie over hoe burgers zich kunnen weren. Bovendien ontbreekt het veelal aan „juridisch doortimmerde legitimatie, én een gedegen controle en evaluatie”.

In de lokale politiek bleef het tot dusver „angstvallig stil” na deze scherpe kritiek, constateert Van Kinderen. Alleen oppositiepartij SP – drie zetels – liet van zich horen en presenteerde vorige week een eigen onderzoek, tegen „de veiligheidsindustrie”, waarvan de titel Van Kinderen uit het hart is gegrepen: Rotterdam draait door.

De relatieve stilte vanuit het stadhuis baart hem zorgen. „Waar zijn de democratische tegengeluiden? Of vindt het hoogste orgaan in deze stad het wel best dat dit college (PvdA, CDA, VVD en GroenLinks, red.) voortdurend de grenzen opzoekt en daar geregeld overheen gaat?”

Rotterdam heeft een voorbeeldfunctie, zegt Van Kinderen. „Andere steden spelen leentjebuur. Als hier iets wordt bedacht, wordt het elders klakkeloos overgenomen. Neem invoering van die hinderlijke zoemer om hangjeugd te weren, de Mosquito. We doen het, en we zien later wel of het rechtmatig is. Deze stad is creatief, maar heeft de neiging door te slaan.”

Rotterdam moet wel, gelet op de vele misstanden, vooral in de achterstandswijken. Vanuit de politiek krijgt Van Kinderen – „Ik ben geen achterlijke Appie” – regelmatig het verwijt dat hij geen benul heeft van de ernst van de grootstedelijke problematiek. Van Kinderen, fel: „Het tegendeel is waar. Ik ben het afvoerputje van deze stad! Iedereen die hier zijn kop stoot, staat bij mij op de stoep. Vrijwel dagelijks krijg ik de onderkant van Rotterdam over de vloer. Mensen die hun huis zijn uitgezet, mensen die zijn overrompeld door een interventieteam, ga zo maar door. Die wonen over het algemeen niet in de chique deelgemeente Hillegersberg. Ga mij niet vertellen dat ik de stad niet ken!”

Ontstemd is Van Kinderen vooral over „het paternalistische en vermeend charismatische optreden” van burgemeester Ivo Opstelten, wiens bassende stemgeluid hij feilloos blijkt te kunnen imiteren. „Op een landelijk congres van bestuurskundigen zei hij laatst doodleuk dat ik de enige was die ‘een beetje een probleem’ heeft met die zogenaamd innovatieve veiligheidsaanpak van Rotterdam. Zo badinerend!”

Zo kan en mag je niet met het instituut Ombudsman omgaan, aldus Van Kinderen. „Leg dan uit waarom ik het er niet mee eens ben. En erken dan óók dat je bijzondere opsporingsambtenaren niet beëdigd zijn, zoals ik zelf van hen heb gehoord. De burgemeester voert de landsadvocaat op ter legitimatie van de huisbezoeken. Bij navraag blijkt die daar geen officieel advies over te hebben uitgebracht. Ik kan er dus niets mee.”

Van Kinderen wil zich „niet langer laten gijzelen door de trukendoos” van de op 1 januari 2009 afzwaaiende burgemeester. „Ik moet kritisch zijn, dat is mijn taak. Maar in Rotterdam wordt de boodschapper gekielhaald zodra de boodschap niet bevalt. Opstelten zei vorig jaar in een commissievergadering niet onder de indruk te zijn van mijn rapport, terwijl dat rapport níét was geagendeerd. Hij schoffeerde mij bewust.”

Later heeft Opstelten daarvoor nog wel „op zijn donder” gehad van de raad. „Je moet je wel aan de democratische spelregels houden. Gebeurt zoiets nog eens, dan trek ik mijn mond open. Ook al zit ik op de publieke tribune.”

Collegebrief over Ombudsman op nrc.nl/binnenland