‘Roem is een dodenmasker’

Nobelprijswinnaar Derek Walcott bezocht Amsterdam om een lezing te geven. Hoe meer Walcott de wereld over reist, hoe belangrijker terugkeer naar de Caraïben voor hem wordt.

Derek Walcott Foto Leo van Velzen Amsterdam, 19-05-08. Derek Alton Walcott. Dichter en schrijver, winnaar Nobelprijs voor Literatuur in 1992. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Hij is moe en geërgerd. De Nobelprijswinnaar van 1992 Derek Walcott – ook wel de Homerus van de Caraïben genoemd – zou om elf uur een persconferentie geven, maar er is niemand, behalve ik dan, en ons gesprek komt maar moeizaam op gang. Walcott zit onderuitgezakt en geeft aanvankelijk vrijwel alleen monosyllabische antwoorden, waarna hij zijn armen steeds weer pontificaal over elkaar kruist. Voor morgen staat de eerste Cola Debrot-lezing gepland, maar een lezing zal het niet worden, laat hij weten.

Hij gaat gedichten voorlezen.

Nieuw werk heeft hij niet. Zijn laatste dichtbundel, The Prodigal, is van 2004 – en na Omeros (1990) is er van hem geen werk meer in het Nederlands vertaald. Die vertaling is inmiddels niet meer te verkrijgen.

Misschien is dit gebrek aan interesse niet zo vreemd in een land waar je stemmen kunt trekken met de mededeling dat Sinterklaas bedreigd wordt door mensen die overal maar slavernijmonumenten willen oprichten. Walcotts mentaliteit staat daar lijnrecht tegenover. „Is een slavernijmonument zinnig? Dat is hetzelfde als vragen of een Holocaust-monument zin heeft,” verzucht hij. „Je moet herinneren aan de gruwelen van de geschiedenis, en waarschuwen dat zoiets niet meer moet gebeuren.”

Geen actueel standpunt, evenmin als Walcotts huldiging van het Caraïbische in een postkoloniale wereld of zijn visie op de rol van de Europese mogendheden in datzelfde Caraïbische gebied. „Per saldo zijn die wereldrijken allemaal slecht. Ze hebben natuurlijk hun goede bijwerkingen gehad, op een praktisch niveau. Door Engeland, Frankrijk en Nederland is onderwijs geïntroduceerd en zijn de eilanden aangenamer geworden om te leven. Maar het is gevaarlijk als die wereldrijken de identiteit van de eilanden gaan opslokken. Het heeft twee kanten, zeker in de Franse Caraïben merk je dat de culturele verbondenheid heel sterk is. Maar Frankrijk ondersteunt ook sterk: het pompt veel geld in het Franse deel van St. Maarten en Martinique. De Engelsen hebben dat nooit gedaan, die hadden te veel gebieden om ergens geld in te stoppen.”

Het is dan ook frustrerend dat op de eilanden generatie na generatie moet bedelen als het om het maken van kunst gaat, voegt Walcott er meteen aan toe. „Van de Britten hadden we kunnen leren wat de waarde van musea en theaters voor het heden kan zijn, maar we doen er niets mee. Er is genoeg geld om hotel na hotel uit de grond te stampen, maar geld voor een museum is er niet.”

Financiële steun voor de eilanden. Ook geen populaire mening in een land waar de discussie gaat over het op Marktplaats zetten van de Nederlandse Antillen.

Derek Walcott blijft een van de grote namen van de Caraïbische literatuur: hij en V.S. Naipaul. Mijn nieuwsgierigheid naar zijn mening over de recent verschenen biografie (besproken in Boeken 16.05.08) wordt overigens onmiddellijk de kop ingedrukt. In het verleden heeft Walcott zijn collega uit Trinidad enkele malen stevig gekritiseerd, omdat die een te gepolijst beeld geeft van zijn land en bovendien soms opgelucht lijkt over het feit dat hij de oude wereld ontdekte (‘Trinidad heeft me verwond, Engeland heeft me gered’). Verontwaardigd brommend: „Ik heb een besluit genomen. Over Naipaul wil ik het nooit meer hebben. Daar ben ik helemaal klaar mee, met hem en met zijn werk.”

Walcott debuteerde als dichter in 1948, met een bundel die thematisch van een vooruitziende blik getuigt. Hij schrijft in die bundel over de afstand tussen Afrika, Europa en de Nieuwe Wereld: een afstand die hij in zijn geschiedenis met zich meedraagt. Maar vooral schrijft hij over de zee. Die zee is het begin en het einde van vrijwel al zijn dichtwerk en nog steeds komt hij van enthousiasme nauwelijks uit zijn woorden wanneer hij de betekenis ervan wil omschrijven. Opeens maakt zijn vermoeidheid plaats voor bezieling – want het gaat hem bepaald niet alleen om de fraaie stranden waar hij zich thuis voelt.

„De zee brengt je terug bij je verleden, en bij je thuis”. Het is een idylle die bedreigd wordt door toerisme, óók een thema dat hij toen al aansneed: ‘De schepen aan de horizon zijn het bewijs van onze verdwaaldheid. / Nog slechts terug te vinden / in toeristenfolders, achter verrekijkers.’

Die dreiging speelt door Walcotts hele oeuvre. Er staat een prachtige passage in Omeros – het epos waaraan hij de Nobelprijs te danken heeft – waarin hij de boosheid van de visser Achilles beschrijft, wanneer toeristen hem willen fotograferen na een dag hard werken op zee.

… de toeristen op hen aangestoven om het tafereel te vangen,

als meeuwen vechtend om een vangst; Achilles schreeuwde dan

tegen hun klikkende camera’s en wierp een denkbeeldige lans.

het was de kreet van een krijger die zijn enige ziel verliest

tegen de klik van een cycloop.

Zijn eilandgenoten zijn allang gecorrumpeerd, Achilles krijgt de status van bezienswaardigheid: kelners met vlinderdasjes op het terras / lachten om zijn boosheid. Ook zij waren versimpeld / […] Zij lachten om simpelheden, de lach van een gewond ras.

Walcotts verontwaardiging hierover is misschien nog wel groter dan wanneer het nut van een slavernijmonument wordt betwijfeld: „Achilles is woedend omdat hij geen object van armoede wil zijn waar je een leuk vakantiekiekje van maakt – alsof je een souvenir te pakken hebt. Toeristen fotograferen armoede als een bezienswaardigheid, als amusement. Dat is al erg onbeleefd, maar wat nog erger is, is dat het toerisme

Vervolg op pagina 2

Derek Walcott: ‘Op de Caraïben is er alleen het nu’

Vervolg van pagina 1

knaagt aan de identiteit van het eiland omdat de bewoners en hun thuis in het teken van dienstverlening komen te staan. Zonder zich ervan bewust te zijn, vernietigen ze hun eigen tradities. Het is voor de bewoners steeds moeilijker geworden om op het strand te komen, en dat terwijl de zee de kern van de Caraïbische identiteit vormt.”

Walcott is terughoudend over zijn beweegredenen om de Griekse mythologie te verplaatsen naar het kleine eiland St. Lucia voor Omeros. „Nu ja, verplaatsen… De Caraïbische en Griekse archipel worden nogal eens met elkaar vergeleken, en daarom wilde ik die elementen in een nieuwe omgeving gebruiken. Maar het was niet mijn bedoeling om de Odyssee en de Ilias te kopiëren. Omeros is geen groot verhaal, ik volg niet duidelijk een plot en het is eigenlijk heel simpel: het gaat over een visser, die leeft, liefheeft en doodgaat.”

Dat lijkt niet veel voor een boek waarover bibliotheken zijn vol geschreven en dat een rijkdom aan grootse thema’s herbergt, zoals de relatie tussen mythe en geschiedenis, taal en identiteit, toerisme en traditie.

Dat hij met Omeros iets te zeggen heeft over de geschiedenis, wil Walcott wel toegeven. „De Caraïbische geschiedenis valt samen met de zee,” benadrukt hij. „De zee wist de sporen van de geschiedenis telkens uit, alles wordt ermee bedekt. We dragen hier dan ook niet echt de sporen van de geschiedenis. Dat is een voordeel, hier kun je vergeten en dus: opnieuw beginnen. Jullie in Europa schrijven geschiedenis met een hoofdletter ‘G’ en plaatsen beelden die triomfen moeten verbeelden, maar dat is verstening van het verleden. Op de Caraïbische eilanden hebben we geen beelden. Op een klein eiland is geschiedenis veel meer een persoonlijke gebeurtenis: het gaat om liefde, dood, werk. Daardoor, maar vooral dankzij de zee, is er op de Caraïben alleen heden. And that is a good thing. Vergelijk het met kunst: het is helemaal niet slecht om kunst te maken zonder de last van de traditie. In Europa gebeurt dat niet. Als een op het heden gebaseerde houding in de maatschappij zou bestaan, zou dat verfrissend zijn.”

In een van de gedichten uit The Prodigal wordt gesuggereerd dat dit zijn laatste boek zal zijn (‘Maar dat zeg ik altijd, voor de zekerheid, je weet nooit’). De verloren zoon uit de titel, die in bijna niets verschilt van Walcott, reisde jarenlang de wereld over, maar keert dan terug naar thuis. „Spiritueel is hij nooit echt vertrokken”, legt Walcott uit. „Ik vind het geen enkel probleem dat mijn werk altijd aan het Caraïbische gekoppeld wordt. Mensen vragen iets van een dichter. Je moet iets zijn, je moet ergens voor staan, je moet in dienst staan van, maar je moet vooral altijd onafhankelijk zijn.”

De dringendste reden voor de terugkeer was de dood van Walcotts tweelingbroer Roddy, in 2000. De terugkeer is dus ook een reis naar de herinneringen aan vroeger, een reis weg van ‘het dodenmasker Roem’ dat Walcott zelf zo moeilijk kan afzetten. De verloren zoon in het gedicht voelt zich schuldig over zijn literaire succes, omdat hij daarmee de archipel schijnbaar tot ‘springplank’ heeft gereduceerd.

Toch het is niet zo dat Walcott afstand wil nemen van zijn wereldwijde carrière. In het autobiografische gedicht Another Life schetste hij het begin van die carrière: hij moest weg om een internationaal carrière te kunnen maken. Nu kan hij terug, omdat hij iets betekent en de horizon op het strand van St. Lucia is daarmee zowel het einde als het nieuwe begin.

Dit beeld, van een auteur die terug is in zijn gebied van oorsprong, is er een waar Walcott lang naartoe heeft gewerkt, en hij heeft flinke omwegen gemaakt. Totdat hij de Nobelprijs won, verdiende hij zijn geld met lesgeven aan Amerikaanse universiteiten. Bovendien heeft hij een keuze gemaakt waarmee hij ook afstand nam van zijn traditie: Walcott schrijft zijn gedichten vrijwel exclusief in het Engels.

„In mijn werk voor theater gebruik ik wel meer Franse en Creoolse woorden dan in mijn poëzie. In de poëzie draait het om metaforen, die je vooral in primitieve talen terugziet. Het is niet zo dat de ene taal beter is dan de andere.”

‘Voor de banneling is taal een vorm van verraad,’ stelde de Amerikaanse dichter William Logan genadeloos vast in een bespreking van Walcotts poëzie en dat moet Walcott beamen – al is het typerend dat hij die observatie liever niet op zichzelf betrekt, maar op vriend en collega Joseph Brodsky. „Hij sprak prachtig Engels met een Russisch accent,” zegt hij liefdevol. „Maar je merkte dat hij zijn eigen taal miste. Dat hij Engels moest spreken omdat hij Amerikaan was geworden was, voelde voor hem als verraad aan zijn taal. Verraad is voor mij misschien een te groot woord, het is eerder een concessie.”

En dan is het gesprek afgelopen. Er is niemand meer gekomen voor de persconferentie. Een dag later leest Walcott voor uit zijn poëzie. De zaal zit redelijk vol.

Een selectie uit leverbaar werk van Walcott :

‘Omeros’, (Noonday Press, € 14,99).

‘The Prodigal’ (Farrar, Straus, Giroux, €13,-‘Collected Poems 1948-1984’, € 16,- Hierin is het complete gedicht ‘Another Life’ opgenomen.

De recentste bloemlezing is ‘Selected Poems’ (Faber and Faber, € 30,-). De keuze is van de Jamaicaanse dichter Edward Baugh.

Walcotts essays zijn gebundeld in: ‘What The Twilight Says’ (Faber and Faber, € 22,99). Hierin zijn onder meer beschouwingen te vinden over mythe en geschiedenis, de rede bij de aanvaarding van de Nobelprijs en essays over onder anderen Brodsky, Hemingway, Frost en Naipaul.