Rechtscollege ziet de vreemdeling niet

Kritiek op de werkwijze van de Vreemdelingenkamer van de Raad van State is meer dan terecht. Hevel dit werk over naar de Hoge Raad, meent H.U. Jesserun d’Oliveira.

Rechtscollege ziet de vreemdeling niet Vreemdelingenrecht De frictie tussen de Raad van State en rechters die besluiten over uitzetting Tekening Ruben L. Oppenheimer Oppenheimer, Ruben L.

De Raad van State, een van onze oudste staatsinstellingen, staat van alle kanten onder druk. Dat geldt niet alleen de Afdeling rechtspraak, en hoofdzakelijk de vreemdelingenkamer daarvan die zich met het hoger beroep in vreemdelingenzaken bezighoudt, als voor de advisering over wetgeving; bovendien is er kritiek op de combinatie van die functies in één orgaan.

Kritiek komt in de eerste plaats van een hoger rechtscollege: het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Regelmatig spreekt dit Hof uit dat beslissingen van de Afdeling rechtspraak in strijd zijn met het Europees Mensenrechtenverdrag en dus moeten worden gecorrigeerd (wat meestal uiterst zuinigjes gebeurt).

Dan is er de kritiek uit de wetenschap. Bijvoorbeeld van VU-hoogleraar Thomas Spijkerboer die een aanval richtte op de manier waarop de Afdeling haar taak als hoger beroepsrechter in vreemdelingenzaken opvat.

Onlangs uitte de Nijmeegse KNAW hoogleraar Kortmann kritiek. Hij wees op byzantinisme ten aanzien van het Koninklijk Huis, en op de serviele hulp die aan zittende kabinetten in hun penarie vaak geboden wordt, zoals bij de hete kool van een referendum over het nieuwe Europese verdrag.

En dan is er nu de afscheidsoratie van Kees Groenendijk, die aan de hand van interviews met rechters uit de vreemdelingenkamers uit het hele land het werk van de Vreemdelingenkamer van de Afdeling tegen het licht houdt: een mix van empirische wetenschap en de stem van rechters van eerste aanleg.

Op deze kritiek is nu een apologetisch antwoord gekomen van staatsraad en lid van de bekritiseerde vreemdelingenkamer van de Afdeling Kees Schuyt en de senior-jurist Jaap van der Winden (Opinie & Debat, 17 mei).

De eerste tegenwerping van Schuyt c.s. is van methodologische aard. Groenendijk had niet op de smalle basis van interviews met 26 (ex)rechters tot zulke algemene uitspraken mogen komen.

Op zich is dit een valide punt. Maar: in de eerste plaats is het moeilijk om rechters te bewegen tot een zodanige participatie dat er een representatief beeld ontstaat. In de tweede plaats waag ik de veronderstelling, dat ook een representatieve deelname het beeld niet sterk zou hebben veranderd, en in de derde plaats is het verstandig om ook met de argumenten, dilemma’s en stelselmatige frustraties van een minderheid onder de vreemdelingenrechters rekening te houden.

Dan het argument: de wetgever is de kwaaie pier. Die heeft vastgelegd dat het verzoek om toelating op asielgerelateerde gronden wordt afgewezen als de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag gegrond is. (art. 31 Vreemdelingenwet 2000). Zwaar wordt geleund op de dwingende werkwoordsvorm ‘wordt’ om de onontkoombaarheid van de door de Afdeling gekozen lijn aan te tonen. Verzuimd wordt echter de ruimte aan te wijzen die in de boterzachtheid van de term ‘aannemelijk maken’ schuilt, die in elk geval minder zwaar is dan bijvoorbeeld ‘aantonen’, zoals door de regering bij het totstandkomen van de wet uitdrukkelijk is verklaard.

Bovendien gaan de schrijvers van het Afdelingsstuk voorbij aan de mededeling van de destijds voor de invoering van de nieuwe wet verantwoordelijke staatssecretaris Cohen, dat het niet de bedoeling was om veranderingen aan te brengen in de voorheen geldende verdeling van stelplicht en bewijslast – zoals die onder meer in het Handboek van de UNHCR was gecodificeerd. Daarmee wordt het ‘hier sta ik, ik kan niet anders’ ongeloofwaardig. Datzelfde geldt voor het summier afdoen van beroepen als een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden: de wet geeft de Raad van State de bevoegdheid daartoe, en niet een verplichting (art. 91 Vreemdelingenwet 2000).

Dan de opmerkingen over de kritiek op het gebruik van wettelijke instrumenten zoals het afdoen van de zaak zonder zitting, dat wil zeggen zonder de verzoeker. Die heeft zijn day in court al bij de lagere rechter gehad, aldus de Staatsraad en de senior-jurist. Ook hier dus weer dat minimalisme. De vreemdeling en zijn zaak verdampen in hoger beroep, onder het motto dat het eigenlijk toch meer om cassatierechtspraak gaat, en de Hoge Raad zelden een zitting houdt. Maar het gaat hier om zoiets essentieels als een verblijfsstatus voor vreemdelingen en asielzoekers. Hun rechtsbescherming is als gevolg van het nu door de Afdeling opgezette systeem aanzienlijk minder dan die van zoekers van recht in drie instanties voor vaak minder vitale belangen. Hun staan in de regel twee (volle) feitelijke instanties ter beschikking – met een cassatiemogelijkheid daarbovenop.

Het wordt hoog tijd de Afdeling over te hevelen naar de Hoge Raad en daar een afzonderlijke vreemdelingenkamer in te richten. Daarmee wordt de rechtspraak in eerste aanleg die bij de rechtbanken is neergelegd, voorzien van een hoger beroep of cassatie in dezelfde rechtspraakkolom. Recrutering van nieuwe raadsheren en raadsdames moet zorgen voor ook personele veranderingen. De staatsraden die de afgelopen jaren dit werk hebben gedaan zijn al te zeer besmet geraakt om nog langer geloofwaardig te zijn.

H.U.Jessurun d’Oliveira is oud-hoogleraar migratierecht aan de Universiteit van Amsterdam en oud-redacteur van het Nederlands Juristenblad.

Het artikel over Groenendijk en het artikel van Schuyt c.s. staan op nrc.nl/opinie