‘Publieke bedrijven vrezen keurslijf van overheid’

Minister Hirsch Ballin (Justitie) werkt aan een aparte rechtspersoon voor maatschappelijke ondernemingen. De sector zelf vreest daardoor zijn vrijheid te verliezen.

Woningcorporaties, zorginstellingen en onderwijsorganisaties zijn ongerust over wat het kabinet met de zogeheten maatschappelijke onderneming wil. „Er leek een goed klimaat voor een wettelijke regeling”, zegt hoogleraar staats- en bestuursrecht Hendrik Jan de Ru. Maar het kabinet wil de maatschappelijke ondernemingen „te veel in een keurslijf” dwingen.

Woningcorporaties vrezen dat het kabinet de omstreden vennootschapsbelasting wil blijven heffen zonder fiscale faciliteiten. Ziekenhuizen zijn bang dat ze straks geen winst meer mogen maken. Onderwijsinstellingen willen een vereniging of stichting blijven.

De drie sectoren hebben daarom als Platform Maatschappelijke Onderneming (PMO) een gemeenschappelijk voorstel gepresenteerd aan minister Hirsch Ballin (CDA, Justitie). VU-hoogleraar De Ru (ook partner van advocatenbureau Allen & Overy) is de belangrijkste auteur. De woordvoerder van de minister spreekt van een „constructief voorstel”.

PMO en het kabinet willen allebei dat de maatschappelijke onderneming in het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt opgenomen. Maar het PMO wil geen volledig nieuwe rechtspersoon, maar de maatschappelijke onderneming zelf laten kiezen uit de bestaande rechtsvormen. De Ru: „Je kunt dan kiezen voor een stichting, vereniging of vennootschap, al of niet met maatschappelijk oogmerk.”

Voer voor louter juristen? Volgens De Ru is het voor maatschappelijke ondernemingen belangrijk dat ze kunnen terugvallen op jurisprudentie. „Dan is er geen onzekerheid”, onderstreept hij. Volgens het PMO kan een deel van de sectorregelgeving worden geschrapt, wat helpt bij de dereguleringsdoelstelling van het kabinet. Het nieuwe stelsel moet er volgens het PMO toe leiden dat „de burger meer grip krijgt op maatschappelijke ondernemingen” en dat maatschappelijke doelstellingen van de overheid worden gerealiseerd.

Wat is de meerwaarde van de maatschappelijke onderneming in het BW?

„Het BW was altijd de plaats waarin werd gecodificeerd wat in de samenleving leeft. Wat je doet is dat je een maatschappelijke verworvenheid – de zaken waarvan we allemaal vinden dat ze er moeten zijn – als minimumnorm vastlegt. De stichting is goed voor de ijsclub met een bestuur en wat geld. Maar nu je heb je al die professionele stichtingen die maatschappelijke sectoren bedienen en al vaak een raad van toezicht en een code voor goed bestuur hebben.”

Het blijft een vrijwillige keuze. Komt er druk op instellingen die keuze te maken?

„Ik denk dat de druk vooral van binnenuit zal komen. Veel instellingen willen maatschappelijke onderneming worden, want ze zijn uit die traditie ontstaan.”

En als een zorginstelling of woningcorporatie er niet voor kiest?

„Dan zullen mensen uit de samenleving die bij zo’n instelling betrokken willen zijn zich afvragen: wat is dat voor een club, waar is hun wil tot verantwoording.”

Het onderwijspeil daalde, bij verpleeghuizen klagen familieleden dat ze met hun grieven door het management afgepoeierd worden. Dat wekt niet echt vertrouwen.

„Er is de duidelijke wens van organisaties hun verantwoordelijkheid te nemen. En dat in samenspraak met de overheid. Men wil uit eigen verantwoordelijkheid afspraken maken over kwaliteit. Corporaties hebben op dit punt al een enorme prestatie geleverd.”

Hoe houdt de overheid controle op de kwaliteit?

„Je kunt als sector met het Rijk een convenant sluiten over kwaliteit. In de zorg kun je bijvoorbeeld zeggen dat je hoogwaardige zorg wilt bieden met minder wachttijden en minder ongelukken. Je kunt lokaal afspraken maken.”

En hoe neem je het wantrouwen weg, ook bij de politiek?

„Dat wantrouwen kun je wegnemen door duidelijk te zijn over wat er gebeurt. Daar horen transparantie en een gedegen financiële verslaggeving bij. Want die is nu niet voorgeschreven.”

Is er een correctiemechanisme als het misgaat?

„Bij wanbeleid kun je naar de ondernemingskamer.”

Is dat geen lange weg?

„U weet hoe gretig de voorzitter van de ondernemingskamer is om mensen op de vingers te tikken.”

En de klacht dat instellingen in zorg en onderwijs in handen van managers zijn gekomen ten koste van de mensen op de werkvloer?

„Ons voorstel biedt wel een voedingsbodem voor een nieuwe benadering. In de gezondheidszorg realiseert men zich dat er kritische verzekeraars en kritische patiënten zijn en dat die waar willen voor hun geld. De maatschappelijke onderneming helpt enorm, want daarmee zeg je dat je goed bestuur hebt, transparant bent, dat je voor de cliënt gaat. Je geeft ook een steuntje aan de verantwoordelijkheidsbeleving op de werkvloer.”

Hoe wordt de rol van belanghebbenden bij de kwaliteitsbewaking in uw voorstel versterkt?

„De instellingen moeten volgens het wetsvoorstel belanghebbenden aanwijzen. En met hen wordt dan overleg gevoerd.”

Er moeten ook afspraken komen over fiscale vrijstellingen, is dat een truc om de corporaties te helpen?

„Nee het is breder. Sommige onderwijsinstellingen zijn in staat winst te maken, dat geldt ook voor ziekenhuizen. Die zien de bui al hangen. Ze hebben van minister Klink net de bevoegdheid gekregen winst te maken. Zij vrezen dat de mogelijkheid daar iets van uit te keren met het voorontwerp van het kabinet wordt teruggedraaid.”

Waarom moet een ziekenhuis winst kunnen maken en uitkeren?

„Je hebt in Duitsland ziekenhuizen die winst uitkeren en ziekenhuizen die dat niet doen. De eerste geven een impuls aan de laatste om beter te worden. In het BW moet je wel een plafond leggen in de winstuitkering, 2, 5 of 10 procent, als vergoeding voor verstrekt kapitaal.”

U bent de promotor van premier Balkenende van het CDA, dat zich doorgaans sterk maakt voor middenveld en maatschappelijke onderneming. Toch heft zijn kabinet de omstreden vennootschapsbelasting bij corporaties. Is uw leerling van het rechte pad afgeweken?

„Daar was de minister van Financiën spelbreker, van een andere partij. Maar ik heb me wel verbaasd dat Balkenende als grote voorstander van de maatschappelijke onderneming niet duidelijker uitspraken doet over de wenselijkheid van de richting die wordt gekozen.”