Plaatsvervanger van de poëtische geest

Hoe verder ze van ons afstaan, des te verbazingwekkender komen ze me voor: de torenhoge pretenties en verwachtingen waarmee de vroege Duitse romantici de moderne kunst en de literatuur hebben opgezadeld. Door middel van de poëzie moest de wereld ‘geromantiseerd’ worden, schreef Novalis, want alleen zo kon de oorspronkelijke ‘zin’ worden teruggevonden. Volgens Friedrich Schlegel zou de romantiek de poëzie ‘levendig en maatschappelijk’ maken en het leven en de maatschappij ‘poëtisch’. Beiden speelden met de gedachte een nieuwe ‘bijbel’ te schrijven of een nieuwe ‘godsdienst’ op te richten, en ze voorspelden zonder blikken of blozen de terugkeer van het ‘gouden tijdperk’. Dat allemaal dankzij de romantische poëzie, de essentie van alle kunst, die als een wonderbaarlijk fluïdum de wereld opnieuw zou bezielen en betoveren.

Er zijn tegenwoordig, vermoed ik, zelfs geen dichters meer die zoiets verkondigen. De dichter als beschaver en wetgever is definitief een mythische figuur geworden en dat de romantici aan het eind van de 18de eeuw serieus in zijn wederopstanding hebben geloofd, is bijna niet meer voor te stellen.

Natuurlijk, de Franse Revolutie bewees dat de werkelijkheid niet altijd hoefde te blijven zoals zij was. Aan Schlegel schreef Novalis in 1794 dat je met het woord ‘droom’ zuinig moest zijn. Want ‘opeens kunnen dingen die tien jaar geleden nog naar het filosofische gekkenhuis zouden zijn verwezen’. Toch had de Franse Revolutie met poëzie niet zo veel te maken. Waarom stelden de romantici dan toch zoveel vertrouwen in poëzie en dichterschap? Zouden ze echt zo naïef en wereldvreemd zijn geweest als men ze nadien wel heeft voorgesteld?

Vorige week was ik in Weimar en opeens meende ik hen beter te begrijpen, toen tot me doordrong hoe klein het 18de-eeuwse Weimar was en hoe groot de rol van Goethe erin. Een dorp van hoogstens zesduizend inwoners. Sta je bij het Goethehuis aan het Frauenplan, dan is het niet veel meer dan een paar minuten lopen naar het huis waar Schiller in 1799 zijn intrek nam. Nog even doorstappen, en je staat bij Herder op de stoep, na onderweg het paleis van Carl August, de destijds regerende hertog, te zijn gepasseerd.

Hij was het die eind 1775 Goethe, pas 26 jaar oud, naar Weimar haalde om er zijn vriend en voornaamste raadsman te worden. Ondanks enige tegenwerking in het begin lukte het de dichter, die één jaar eerder wereldberoemd was geworden met Die Leiden des jungen Werthers, op heel veel in het hertogdom zijn stempel te drukken. In Ilmenau probeerde hij de koper- en zilvermijnen nieuw leven in te blazen, hij bemoeide zich met de wegen en de behuizing, hervormde de brandweer, beheerste het lokale theater en hield toezicht op de nabijgelegen universiteit van Jena. Iets vergelijkbaars had alleen in de Griekse oudheid bestaan, waar mythische wetgevers als Solon en Lycurgus ook als ‘dichters’ werden beschouwd. Met Goethe aan het roer kreeg Weimar wel wat van een antieke Griekse stadstaat.

Voor Goethe zelf bleek de politiek overigens een gemengd genoegen. Zozeer zelfs, dat hij na tien jaar zijn taken en verplichtingen in de steek liet om halsoverkop, zij het met medeweten van de hertog, af te reizen naar Italië, waar hij zich twee jaar lang uitsluitend aan kunst en wetenschap zou wijden. Na zijn terugkeer werd de oude toestand niet volledig hersteld maar een deel van zijn maatschappelijke en politieke functies nam hij toch weer op zich. Zo leerden de romantici hem kennen, toen zij in de jaren negentig naar Jena kwamen om er te studeren en hun grootse idealen te formuleren.

Goethe werd hun idool. ‘De ware plaatsvervanger van de poëtische geest op aarde’, noemde Novalis hem. Voor Schlegel was Goethe ‘de stichter en het hoofd van een nieuwe poëzie’, waarmee hij de romantische poëzie bedoelde, inclusief alle hooggestemde pretenties en verwachtingen. Wat de romantici van de poëzie verlangden, werd door Goethe onder hun ogen gerealiseerd. De wereld moest geïmpregneerd raken met poëzie – wat gebeurde er in Weimar anders dankzij Goethes alomtegenwoordigheid? Niet dat iedereen de hele dag met gedichten in de weer was, maar het dichterlijke genie Goethe doordrong alles wat hij aanvatte met een ‘poëtische’ (lees: creatieve) geest.

Omdat Weimar zo klein was, kon dat deze jonge ambitieuze dichters onmogelijk ontgaan. Goethes daden werden niet aan het oog onttrokken door een bureaucratisch staatsapparaat; zijn maatregelen en bedenksels gingen niet verloren in de massaliteit van ook toen al reusachtige steden als Parijs en Londen. Daar had een dichter nooit zo’n prominente, voor iedereen zichtbare rol kunnen spelen. In het kleine Weimar wel.

Toen Shelley, ruim twintig jaar later, de dichters aanwees als de ‘wetgevers van de wereld’ noemde hij ze wijselijk unacknowledged – niet erkend. Goethe daarentegen werd, als dichter en als wetgever, wel degelijk erkend. In de eerste plaats door de hertog die hem in goed vertrouwen zijn gang liet gaan. Vervolgens door de talloze bezoekers die uit heel Europa toestroomden om het wonder in levenden lijve te aanschouwen, aldus bewijzend dat iemand vanuit een dorp de wereld kon beïnvloeden. En tenslotte door de jonge romantici, die uit Goethes concrete voorbeeld de hoop moeten hebben geput dat hun eigen politieke en maatschappelijke verlangens eveneens werkelijkheid zouden kunnen worden.