Ouder blij, kind blij, nu kabinet nog

Sinds er marktwerking is in de kinderopvang stapelen de problemen zich op.

Terwijl ouders enthousiast zijn over de nieuwe wet.

Medio jaren negentig dreigde een tekort aan arbeidskrachten. Dus besloot het kabinet van Wim Kok (PvdA) een ‘stille reserve’ aan te spreken: vrouwen. Om de gang naar een (betaalde) baan mogelijk te maken, investeerde ‘Paars’ (PvdA, VVD, D66) stevig in de kinderopvang. De opvang nam met 16 procent per jaar toe, het aantal werkende vrouwen steeg van 42 procent in 1994 tot 52 procent in 2002. Daarna trad een stabilisatie op en dat was een van de redenen voor het kabinet van Jan Peter Balkenende (CDA) om met een nieuwe regeling te komen.

Tot 2005 tijd waren er verschillende financiële regelingen: subsidies aan kinderopvangorganisaties via gemeenten, fiscale regelingen voor bedrijven en fiscale regelingen voor werknemers. De mogelijkheden voor ouders om gebruik te kunnen maken van kinderopvang hing sterk af van de individuele situatie. „Met de nieuwe wet is kinderopvang voor meer mensen toegankelijk geworden en door de aanvullingen op de wet in 2006 en 2007 is de kinderopvang ook voor iedereen betaalbaar”, zegt Ed Buitenhek, adviseur in de kinderopvangbranche.

De nieuwe Wet kinderopvang beoogt vraag en aanbod beter op elkaar te laten aansluiten om de doelmatigheid te verbeteren. De gemeentelijke subsidies zijn afgeschaft en non-profit en commerciële kinderopvangorganisaties worden gelijk behandeld.

Subsidiëring van het aanbod bleek discriminerend te werken. Gemeenten deden liever zaken met stichtingen dan met commerciële bureaus. Sinds de nieuwe wet winnen de commerciële organisaties terrein ten koste van de non-profit. Hun marktaandeel steeg van 20 procent eind jaren negentig tot ruim 50 procent afgelopen jaar.

Doordat de subsidie rechtstreeks bij de ouders terechtkomt, is hun invloed groter geworden, constateert Esther Hollenberg, directeur van Forte kinderopvang in Castricum. „De overheid financiert kinderopvang niet meer via de aanbieders, maar via de vragers. De ouders hebben de keuzevrijheid en de instellingen moeten concurreren op prijs en kwaliteit, want ze betalen – afhankelijk van hun inkomen – een deel van de kosten zelf.” Ouders betalen nu, landelijk gezien, 20 procent van de totale kosten van de kinderopvang. Twee jaar geleden was dat nog 30 procent.

Het aanbod is de afgelopen jaren sterk gegroeid. Het aantal kinderen dat werd opgevangen groeide in de periode 2006-2007 met ruim 20 procent per jaar tot bijna 260.000. Het aantal toetreders is beperkt, de aanbodgroei is voornamelijk gerealiseerd door bestaande organisaties. Toch blijft het groeiend aanbod achter bij de vraag, want de wachtlijsten zijn nog niet weggewerkt.

Bij een ‘normale’ marktwerking zouden nieuwe aanbieders zich direct melden. „Maar de markt voor buitenschoolse opvang is een relatiemarkt”, zegt adviseur Ed Buitenhek. „Die opvang is gekoppeld aan scholen, daar moet je goede relaties mee hebben. Het is voor een nieuwkomer moeilijk om die markt te betreden.”

Meer marktwerking moet, volgens de beleidsmakers, resulteren in meer doelmatigheid – kinderopvang tegen zo laag mogelijke kosten. Omdat de marktwerking vrij recent, in 2005, is geïntroduceerd zijn er nog geen landelijke gegevens beschikbaar die een eventuele doelmatigheidsverbetering laten zien. Wel blijkt de waardering van ouders voor kinderopvang gestegen in vergelijking met de periode voor invoering van de marktwerking.

De concurrentie tussen de instellingen is toegenomen, maar veel gemeenten willen – zo constateert Hollenberg – de regie in eigen hand houden. In Alkmaar is bijvoorbeeld gekozen voor een wijkaanpak. „Wij willen in elke wijk minimaal één school met een goed opvangpakket”, zegt wethouder Hans Meijer (PvdA). „Wij hebben de regie in handen genomen. Je kunt de vrije markt zijn werk laten doen, maar dan krijg je bijvoorbeeld een concentratie in één wijk, dat willen we niet.” De gemeente laat buitenschoolse opvangvoorzieningen bouwen en verhuurt die aan de kinderopvangaanbieder waar de school zaken mee wil doen.

„Wij lopen natuurlijk een risico dat iemand roept dat we openbaar moeten aanbesteden, maar dat willen we niet”, zegt wethouder Meijer. „Wij willen aan de slag met organisaties die al buitenschoolse opvang aanbieden bij scholen. De ouders sluiten vervolgens individuele contracten met de aanbieders van buitenschoolse opvang. Deze aanpak werkt beter dan de route via de openbare aanbesteding. Ik wil resultaat. Binnen twee jaar is het aantal plaatsen voor buitenschoolse opvang met 65 procent gestegen. Dat telt.”

De PvdA beloofde tijdens de verkiezingen dat de opvang drie dagen in de week gratis zou zijn. Op dit moment werkt het kabinet aan maatregelen om een dreigende overschrijding van 50 procent van het budget te voorkomen. De belofte van de PvdA blijkt dus onhoudbaar. „Uitgaande van de kennis van nu is de belofte onhaalbaar”, zei staatssecretaris Sharon Dijksma (Kinderopvang, PvdA) vorige week bij een debat in de Tweede Kamer. „Geen enkel mens heeft er rekening mee gehouden dat zoveel meer ouders gebruik zouden gaan maken van kinderopvang. [...] Het stelsel implodeert, als we nu niets doen.”