Oost-Europa zal winnen

Het is dus wéér niet gelukt. Hind Laroussi kan best goed zingen, maar haar liedje was te middelmatig om het Europese publiek tot een voorkeursstem aan te zetten. Daarom mag Nederland morgenavond voor het vierde achtereenvolgende jaar niet meedoen in de finale van het Eurovisie Songfestival. Is dat erg?

Natuurlijk is het makkelijk zat de jaarlijkse liedjeswedstrijd af te schrijven als een onartistieke verzameling nummers die nauwelijks reflecteren wat er tegenwoordig gaande is in de sector van de lichte muziek, inclusief pop. Internationale hits levert het evenement zelden of nooit meer op.

Maar als het Eurovisie Songfestival onbenullig is, is het EK Voetbal dat ook. Net als elke andere competitie waarin alle deelnemers hun uiterste best doen om te winnen. Dinsdagavond trok de halve finale alleen al in Nederland 1,7 miljoen kijkers. Er worden heel wat internationale voetbalwedstrijden uitgezonden die minder kijkers trekken. Qua maatschappelijk belang zie ik geen verschil tussen voetballen en zingen.

Met de reglementen is echter wel iets loos. Die zijn bij sport glashelder, maar bij het Songfestival niet. Zo bestaat er sinds 2004 een halve finale en nu zelfs twee halve finales, om het aantal deelnemers op de finale-avond enigszins binnen de perken te houden. Van de negentien liedjes per avond gaan er tien naar de finale door, waarvan er negen worden gekozen door bellende en sms’ende kijkers en één door een vakjury.

Terwijl er ook nog vijf landen zijn die buiten elke voorselectie om meteen naar de finale mogen. Dat geldt voor het gastland, dat altijd de winnaar van vorig jaar is, en voor de vier landen die de hoogste bedragen betalen aan de festivalorganisatie: Duitsland, Frankrijk, Spanje en Groot-Brittannië. Zo’n financieel criterium zou bij parlementsverkiezingen of sportwedstrijden corruptie heten.

Dat er steeds meer landen bij komen, ligt vooral aan de fragmentarisering van Oost-Europa. Om een voorbeeld te noemen: vroeger deed er één land mee dat Joegoslavië heette. Nu zijn dat er zes. Wie mee wil doen, moet lid zijn van de European Broadcasting Union, de organisatie van Europese publieke omroepen. Maar die EBU laat veel sneller nieuwe leden toe dan de Europese Unie. Kijk maar naar Servië, het gastland van dit jaar. In allerlei intermezzofilmpjes wemelde het van de Belgrado-promotie. Voor het EU-lidmaatschap moet nog heel wat gebeuren, zeker zo lang generaal Mladic niet is uitgeleverd aan het Joegoslaviëtribunaal. Aan het Eurovisie Songfestival doet Servië, eerst nog samen met Montenegro, al sinds 2004 mee. Net als allerlei andere landen die bij de EU nog in de wachtkamer zitten.

Voor al die nieuwe landen biedt het festival een mogelijkheid zich te manifesteren tegenover de rest van de wereld. Dat gaat gepaard met nationalisme, regionalisme en fanatisme. Ze zetten alles op alles om een onvergetelijke indruk te maken. Ze zijn veel gemotiveerder dan de traditionele Eurovisie-landen waar steeds meer onverschilligheid en zelfs moedeloosheid heersen. Zodat de Oost-Europese nieuwkomers alleen nog maar méér successen gaan boeken. Dat maakt de strijd steeds ongelijker, wat voor elke competitie dodelijk is.