Middenklasse en allochtonen gedijen in gemengde wijken

Etnische variatie in de wijk wordt, vooral door de middenklasse, helemaal niet als bedreigend ervaren. Alles draait om de juiste mengverhouding, menen Radboud Engbersen e.a.

De in de New Yorkse Bronx opgegroeide schrijfster Ethel Portnoy, kind van Russisch-joodse ouders, schreef over de Amerikaanse ‘melting pot’ dat echt versmelten pas na de derde generatie plaatsvindt. De eerste generaties proberen elk contact te vermijden en observeren elkaar zwijgend, als koeien die over een hek heen kijken.

Dit beeld vat veel sociologisch onderzoek samen: hoe etnisch gevarieerder de wijk, hoe minder vertrouwen buurtbewoners in elkaar en in de buurt hebben. Robert Putnam bracht dit voor Amerika aan het licht, de aan het European University Institute in Florence verbonden Nederlandse onderzoekers Bram Lancee en Jaap Dronkers, stelden het voor Nederland vast (Opiniepagina, 14 mei).

Het leverde veelzeggende koppen op: ‘Etnische variatie vergroot wantrouwen’, ‘Geen vertrouwen in de wijk’, ‘Bij etnische mix kruipen mensen in hun schulp’. Toch is het niet verstandig om na het lezen van deze koppen alle illusies over menging te laten varen.

Uit gegevens van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) weten we dat Nederlanders sinds jaar en dag behoorlijk tevreden zijn over hun buurt. Uit het rapport ‘Zekere banden’ (2001) blijkt dat de tevredenheid over de buurtbevolking in naoorlogse flatwijken niet dramatisch verschilt met die van woonwijkjes die letterlijk tussen de koeien staan, dat wil zeggen de witte Nederlandse dorpen. Dit wordt onderschreven door latere SCP-onderzoeken en ook door de woonbelevingsonderzoeken van het ministerie van VROM: de ‘gri-busbuurten’ scoren slechter als het gaat om sociale samenhang, waardering van de woonomgeving en het vertrouwen in buurtbewoners, maar het verschil tussen de absolute bodem en de absolute top is vaak niet groter dan tien tot twintig procent.

Het statistisch bestand waarmee Lancee en Dronkers aan de slag gingen, dateert uit 1998. De instroom van etnische groepen heeft zich daarna onverminderd voortgezet, op heel veel plaatsen heeft zich een soort superdiversiteit ontwikkeld, Fortuyn, Wilders en Verdonk zijn opgekomen. Is het wantrouwen dan alleen maar verder toegenomen in het laatste decennium? Wanneer we kijken naar gemengde stadswijken, treffen we inderdaad spanningen aan tussen groepen. In veel gemengde wijken is echter een leefbare modus vivendi gevonden. Dat moet ook wel, want ruim 19 procent van de Nederlandse bevolking bestaat inmiddels uit allochtonen en in de steden ligt dit aandeel nog veel hoger. Er zijn 1,7 miljoen niet-westerse en ruim 1,4 miljoen westerse allochtonen (daar horen bijvoorbeeld ook de Polen bij). Deze groepen zijn dan ook niet meer te ontwijken. Een geslaagde modus vivendi treffen we bijvoorbeeld aan in een recente studie over de gemengde Fannius Scholtenbuurt van de Amsterdamse wijk Westerpark. Het werkt daar omdat er grofmazig is gemengd, waardoor zowel de middenklasse als groepen die lager op de maatschappelijke ladder staan, zich er thuisvoelen. Belangrijk is steeds de juiste mengverhouding.

In Amsterdam en Rotterdam hebben wij onderzoek gedaan naar de rol van de middenklasse in gemengde wijken. We stelden vast dat bepaalde categorieën bewoners goed blijken te gedijen in gemengde wijken, ook al vinden ze het er soms niet stedelijk genoeg, en was de wijk waar ze nu wonen niet hun eerste keuze. Dit geldt bijvoorbeeld voor de al vaak bejubelde creatieve klasse (kunstenaars, mediamensen, architecten, vormgevers, etc.). Wij waren aanvankelijk sceptisch over hun inbreng, maar ze blijken open en behulpzaam te staan tegenover allochtone buurtgenoten die lager op de maatschappelijke ladder staan. ‘Vrouwen met hoofddoeken’ intrigeren hen eerder dan dat ze er door worden afgeschrikt. Ook de groep bewoners die in het onderwijs of de zorg werkzaam is, vond vrij vanzelfsprekend zijn weg in de gemengde wijk.

Onder bepaalde condities blijkt de middenklasse best in gemengde wijken te willen wonen, terwijl allochtone groepen de komst van een middenklasse, in het bijzonder ‘echte witte Nederlanders’, toejuichen. We hebben dat voor het Rotterdamse Hoogvliet en Amsterdam Nieuw West kunnen vaststellen. Het geeft hen het gevoel dat hun maatschappelijke kansen toenemen. We beklemtonen dan ook dat op veel plaatsen ontwikkelingen gaande zijn die duidelijk maken dat Nederlandse burgers meer gewend zijn geraakt aan etnisch-culturele menging en daarmee ook succesvol of handig weten leren om te gaan.

Het alom signaleren van wantrouwen schetst een te eenzijdig beeld, want er zijn wel degelijk aanknopingspunten om menging ten positieve te benutten. De juiste mengverhouding, maar ook goede voorzieningen (uitstekende scholen!), goed beheer en veiligheid.

Verder constateren wij dat sociale professionals op de basisschool, in het wijkgebouw, op het Cruyff-court, door middel van subtiele regie contacten tussen etnische groepen stimuleren. ‘Ga niet altijd bij je Turkse vriendinnen zitten’, zegt de klassenassistent tijdens de koffieochtend op de gemengde basisschool tegen de Turkse moeder, ‘maar praat ook eens met de Nederlandse moeders’. En ze helpen, deze kleine ‘regieaanwijzingen’. Het is geen wet van Meden en Perzen dat etnische groepen drie generaties lang als koeien zwijgend en wantrouwend tegenover elkaar moeten en willen blijven staan.

Radboud Engbersen en Matthijs Uyterlinde zijn werkzaam bij Movisie, Jan Willem Duyvendak en Lex Velboer zijn verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Op 24 april verscheen hun onderzoek ‘Helpt de middenklasse? Op zoek naar het middenklasse-effect in gemengde wijken’ bij het NICIS Institute.