Mei ‘68

Onze oproep om uw ervaringen uit mei 1968 te sturen, heeft een stroom van reacties losgemaakt. Veel te veel om allemaal te plaatsen. Hieronder een selectie van de veelal bekorte inzendingen.

Huwelijk

Wij deden iets ouderwets: trouwen. Op vrijdag 24 en zaterdag 25 mei. Met alle klassieke elementen: gemeentehuis, bruid in het wit, kerk, receptie, diner en prachtig weer. Met het Fiatje 600 van schoonmoeder naar het buitenhuis van vrienden op Belle-Île-en-Mer onder Bretagne. Het was het hoogtepunt van de studenten- en arbeidersrevolte. Zaterdagochtend belde ik met de ANWB. „Ik raad u ten stelligste af om naar Frankrijk te rijden. Het is allerminst zeker dat u daar benzine kunt tanken”, kreeg ik te horen. We zijn spontaan naar de Italiaanse Rivièra gegaan. Ja, deze maand 40 jaar getrouwd.

Hans Bennebroek

Lsd en mystiek

Ik zat in het derde jaar van mijn studie rechten en woonde op een studentenflat in Utrecht. Mijn ouders betaalden de studie. De tijdgeest voerde me in mijn hoofd naar de andere kant van de wereld: oosterse filosofie. Via Bert Schierbeeks De tuinen van Zen ontdekte ik de boeken van D.T. Suzuki (Inleiding in het zenboeddhisme) en Alan Watts (The Way of Zen). Ik leerde mediteren en over de toekomst dacht ik weinig na. De universiteit organiseerde gespreksgroepen over actuele maatschappelijke onderwerpen. Ik koos voor lsd en mystiek. Op studentenkamers spraken we over het lsd-gebruik van Timothy Leary, christelijke mystici, taoïsme en een aanstaand psychiater bracht de psychoanalyse in. Het waren ongestructureerde bijeenkomsten met, in mijn herinnering, alleen thee en koffie.

Johan Kniep

Vakantieavontuur

Gezakt voor mijn eindexamen hbs-b mocht ik toch met mijn ouders mee naar Lacanau-Océan, een plaatsje onder Bordeaux.Daar er voor mij geen plaats in de Peugeot 404 was (caravan achter de auto, zeilboot op het dak en dus topzwaar), ging ik met de trein via Parijs. Men vond mij toch altijd al ‘recalcitrant’ (rookte wiet, dronk bier, loste opium op in m’n koffie en deed hasj door mijn moeders soep, zodat het toch nog gezellig werd!). Op Gare du Nord moest ik naar een ander station in Parijs om mijn reis naar Bordeaux voort te zetten en zo begon mijn avontuurlijke zomer 1968 in het roerige Parijs. Ik trof hippies in de buurt van Petit Pont bij de Notre Dame, sliep onder bruggen en hing rond in de bars van Rue de la Huchette. Herhaaldelijk veegde de politie de pleinen, straten en bruggen schoon en wie niet wegkwam, ging de cel in. De kunst was om steeds in een ander district onrust te stoken en met onze Ban-de-Bom-affiches steeds elders op te duiken! Na enkele dagen was de gendarmerie al vergeten dat wij in dat arrondissement waren opgepakt. Voldaan kwam ik drie weken later in Lacanau, waar mijn familie juist op het punt stond de boel af te breken en naar huis terug te keren. De vakantie zat erop!

Bernard Slothouber

Poststaking

Als eerstejaarsstudent in Amsterdam had ik het in mei ’68 druk met tentamens en feestjes met de Beatles, Stones én Gilbert Bécaud (Nathalie!), sherry en pinda’s. Na afloop fietsten we, terwijl het al licht was, door de Leidsestraat. Dit studentenleventje werd overschaduwd doordat mijn Franse vriendje niets van zich liet horen. Hij schreef al weinig, maar nu helemaal niet meer. Wat was er aan de hand? Gelukkig zag ik hem in de zomer en kon hij het uitleggen: de Franse post staakte. Benieuwd naar een ooggetuigeverslag van de barricaden, vroeg ik hem hoe het geweest was. Hij had alleen maar klachten, de stakingen, geen benzine: „Quel bordel.” Ik denk dat hij nu een trouwe Sarkozy-aanhanger is.

Renée Citroen

‘Bonjour monsieur Sartre’

In mei ’68 was ik in Parijs! Stomtoevallig, als 20-jarig student op museumexcursie. Maar helaas – of gelukkig – net te vroeg om ooggetuige te kunnen zijn. Pas terug in Amsterdam sloeg de vlam over van Nanterre naar Parijs en was ik blij weer thuis te zijn; mijn dapperheid dateert van later datum. Mei ’68 was voor mij colleges volgen in het Louvre, de Mona Lisa zien en een middag eenzaam onder- en bovengronds treinen door een grijs en nat Parijs. Om vijf uur ’s morgens met een dronken groepje „Il est cinq heures, Paris s’eveille” zingen in een bar in de Hallen. Maar het hoogtepunt van mijn ‘mei’ was die korte ontmoeting met Jean-Paul Sartre. Onderweg naar de wc van een café in Saint Germain zag ik het wereldberoemde hoofd een krant zitten lezen. Al plassend herstelde ik, want ik trilde alsof ik God had gezien. Bij terugkeer in de gelagkamer bleek hij het echt te zijn. Ik schraapte alle moed bijeen en mompelde: „Bonjour, monsieur Sartre.” Hij heeft wellicht zijn naam verstaan, want hij keek op – maar langs mij heen. Toch was ik gelukkig: ik had een superster beroerd; een oudere man die weer aan de bak moest in de beste traditie van Franse filosofen: op de barricaden.

Henkjan van Vliet

Kernfusie

Ik was, in het kader van de Europese samenwerking in het kernfusieonderzoek, uitgeleend aan het Commissariat à l’Énergie Atomique in Saclay bij Parijs. Ik was daar met vrouw en kinderen en voorzichtig in het bekijken van het schouwspel dat gratis voor ons werd opgevoerd. (Een eerdere ervaring met een autoritaire staat, Japan als bezetter in Nederlands-Indië, maakte mij voorzichtig.) Op een avond konden we vanuit een inderhaast afgesloten café aan de boulevard St. Michel een charge van de oproerpolitie bekijken. Ook zagen we de Ecole de Médecine – bolwerk van rechtzinnige saaiheid – ineens gedecoreerd met de meest vreemde leuzen en afbeeldingen. Maar de aardigste herinneringen zijn die aan mijn toenmalige collega’s. De televisie, in handen van de revolte, vertoonde beelden van de straat. Aan het eind was er de toespraak van Charles de Gaulle over de radio. Samengevat zei hij: „Ik heb alle mogelijkheden overwogen, maar ik heb een mandaat van het volk en zal dat vervullen. Kortom, het gedoe moet nu uit zijn.” Een van mijn meer romantisch ingestelde collega’s voorspelde daarop een burgeroorlog en ried mij aan terug naar Nederland te gaan. Maar de dag erop was alles rustig en was er weer benzine te krijgen.

W. J. Schrader

Mooi, rustig Frankrijk

Frankrijk was nog nooit zo rustig als in mei 1968. In onze eerste auto, een lichtgroene Austin Glider, toerden we vrolijk en tevreden over de Franse landweggetjes. Het was in mijn herinnering altijd mooi weer. We reden van pomp tot pomp, er was altijd nog wel tien liter benzine te krijgen. In de hotelletjes waren wij meer dan welkom. Zij maakten zich er vooral druk over de omzet. Voor het Pinksterweekend waren er ruime voorraden ingeslagen en die moesten op. Pinkstermaandag in een dorpsrestaurant, van 1 uur tot 5 uur. En dat heette een lunch. Vergezeld van lange retorische discussies waar de Fransen zo van houden. Mijn vrouw trouwens ook. Over de kast afkomstig van een kasteelverkoop en natuurlijk de politiek. Dat is mijn herinnering aan de revolutie. En de grotten van Padirac, een rij lege bootjes. Maar Parijs dan, zult u zeggen. Parijs is Frankrijk niet. Nooit leek de afstand met het Franse platteland groter. Nooit was Parijs verder weg. En zo toerden wij door Frankrijk dat voor even op de tijden van voor de revolutie leek: de industriële revolutie wel te verstaan. Veranderde er niets? Zeker, negen maanden later werd onze enige zoon geboren.

S.D. Eikelboom.

Spijkerpak

Ik was leraar Frans in Wassenaar. Kledingcode voor de jongens: jasje-dasje. Voor de meisjes: penny shoes, Schotse-ruitrokjes, twinsets en parelkettinkjes. Het was proefwerkweek; ik moest alleen surveilleren bij 4 mms (middelbare meisjesschool). Ik betrad het lokaal in mijn witte provospijkerpak. Daarin had ik mij tot die dag nog nooit vertoond. Er ging een golf van afgrijzen door de klas. Het proefwerk werd heel slecht gemaakt. Ik heb de cijfers met een punt opgewaardeerd: mijn kleine bijdrage aan de grote ‘revolutie’.

Henk Scholte

Concert

Ik ging naar Parijs om te zingen in het Institut Néerlandais aan de Rue de Lille; het was voor mij en mijn begeleidster Tan Crone de derde maal dat wij daar gingen optreden, op 9 mei 1968. Voor een klassiek concert treft men voorbereidingen. Hierin paste de kapper. Om de hoek van het instituut was, wist ik, een prettige salon. Het was stil. Er stonden militaire wagens geparkeerd, pantservoertuigen, waar ik omheen liep. Een militair vroeg mij met grote ogen waar ik heen ging. „Je vais chez le coiffeur”, heb ik geantwoord, verwonderd over zijn nieuwsgierigheid. Ach, ik liet ook mijn nagels nog doen. Ik was in het geheel niet betrokken bij politieke zaken, i.c. studentenopstanden. Nu, zo vele jaren later en geconfronteerd met alle reflecties op die tijd, ben ik verbaasd over mijn absoluut onbenul van die spannende dagen. Zo ik al aan iets anders dacht dan aan ons programma, gingen mijn gedachten naar huis, naar twee schoolgaande kinderen onder de hoede van oma. Het ondenkbare van die avond was dat de concertzaal van het instituut geheel gevuld was!

Ank Reinders

Openbaarheid

Openbaarheid was ondeelbaar. Daarom moest ook de vergadering van het Utrechtse college van curatoren publiek toegankelijk worden. Wij beproefden de toen nieuwste methode, de zogenaamde walk-in. Verbijsterd keken de deftige curatoren naar het binnenwandelende, tamelijk langharige studentenvolkje dat op luide toon openbaarheid eiste. Een van hen, prof. mr.dr. I. A. Diepenhorst („links van mij, dat is rechts voor u”) nam het woord: „Doelt men hier op een open-baarheid in vitro, zoals dat heet, mijn-heer de voorzitter, dan wel op een grundsätzliche openbaarheid?” Door zijn dikke brillenglazen keek hij ons vragend en doordringend aan. De lichte twinkeling van triomf in zijn ogen was – helaas – zichtbaar.

Gerard Verhoeven

Meisje van zestien

Vrijdag na Hemelvaartsdag, 24 mei 1968, houdt de ’s-Gravenhaagsche Boekhandelaars Vereniging haar jaarlijkse zomertochtje. In de bus op weg naar een evenement geen woord over Parijs. Wij weten er wel van, maar er zijn in onze ogen serieuzere zaken aan de orde. De keurige Haagse boekhandelaren zingen vol passie het zojuist uitgekomen lied Meisje van Zestien van Boudewijn de Groot. „Arm kind, zestien lentes zo pril. Ach wat lig je hier stil, langs de kant van de weg.” Gedurfd, zo’n tekst, toch Parijse invloed?

Otto Gooiker

Panta rhei

In mei 1968 was ik aan het werk, op zee, aan boord van een schip in het Caraïbisch gebied. In juni 1969 keerde ik terug in Nederland. Ik deel dus die curieuze fascinatie met mei 1968 niet met de nationale media waaronder ook de NRC. Heb mij wel de vraag gesteld wat de commentaren toen en nu zouden zijn geweest wanneer kaalhoofdige neonazi-achtige typen een spoor van vernieling en brandstichting hadden getrokken door de straten en over de boulevards van Parijs op weg naar de Renault-fabrieken om te ‘verbroederen’ met de arbeiders. Ik vermoed zomaar dat de empathie en mildheid een stuk minder zouden zijn (geweest), en terecht. Alsof de studentenrevolte van mei 1968 alleen maar zegeningen heeft gebracht. Geen enkele aandacht voor de uitwassen hierover, slechts nostalgie. Merkwaardig, de maatschappelijke ontwikkelingen zouden ook zonder brandstichting niet tot stilstand zijn gekomen. Panta rhei, de Griekse filosoof Heraclitus wist het al.

W.J.J. van der Knaap

Conceptie

Ik wachtte, rustig, onwetend, op mijn conceptie en geboorte in mei 1989.

Max Peters (geb. 17-05-1989)

Op nrc.nl/mei68 zijn meer reacties van lezers te vinden.