Lachen met Beckett

In Becketts toneelstuk Happy Days zit Winnie tot haar nek in het beton. De New Yorkers moeten er om lachen. De toneelschrijver en de toneelspeler hebben een tegengesteld belang, zegt Fiona Shaw, die Winnie speelt. „Hij wil de afstand tussen de mensen tonen, ik wil ze juist samenbrengen.”

‘Schrijf nou toch eens een vrolijk toneelstuk’, zei mevrouw Beckett in 1961. Haar man had de kunstwereld acht jaar eerder verbijsterd met zijn toneeldebuut Wachten op Godot. Het viel precies in de juiste existentialistische aarde van die tijd: de wereld als woestijn, de mens als dakloze, een stilstaande vertelling vol open symboliek waar een ieder zijn eigen filosofische verhandeling aan kan ophangen. Zijn tweede stuk, Eindspel, was ook al zo hopeloos zwart en grauw. Vandaar de vraag van mevrouw Beckett. „Why don’t you write a happy play?”

Om zijn vrouw te pesten schreef Beckett Happy Days. Weer een stel ontheemden in een woestenij. Winnie, een dame van rond de vijftig, zit tot haar middel vast in een heuvel en ziet zichzelf langzaam vergaan. Dit krachtige beeld laat Beckett botsen met het onverwoestbare optimisme van de vrouw. Ze babbelt erop los, en roept steeds uitbundig: „That’s what I find so... wónderful” en: „Oh, this is going to be another happy day”. Ondanks haar blije moed kun je niet anders dan de mooie dagen, de goede tijden, uit de titel als wrang ervaren. Het is moeilijk om in het optimisme van de vrouw te geloven. Er is geen reden toe. Het moet wel gemaskeerde wanhoop zijn.

Op 31 mei is Happy Days de openingsvoorstelling van het Holland Festival in Amsterdam. De voorstelling van het Britse National Theatre kreeg bij de Londense première vorig jaar een juichende ontvangst, maakte een internationaal tournee en stond deze winter in New York.

Begin februari in het BAM-theater in Brooklyn, New York. Het bijna honderd jaar oude theater stond decennia lang leeg en wordt nu in zijn vervallen staat gebruikt. De sfeer is postapocalyptisch: de Griekse zuilen zijn zwaar gehavend, de voormalige loges ogen als zwarte gaten, de rode en gouden verf is van de neobarokke toneellijst gebladderd. Voor Happy Days is dit de perfecte ruimte. Het decor bestaat uit een enorme vlakte vol puin, als een plat gebombardeerde stad: grote brokken beton, gruis en een beetje onkruid. De Europese toerist zal aan Dresden of Berlijn denken, de New Yorker aan Ground Zero: de restanten van het World Trade Center na de aanslag van 11 september 2001. Het is in ieder geval een woestenij door mensen geschapen, niet door de natuur. Tweehonderd witte lampen bootsen een brandende zon na.

Middenin zit Fiona Shaw,

zij speelt Winnie. Met het hoofd op de handen ligt zij te slapen. Een doordringende bel schelt. Shaw tilt het hoofd op en geeft de zaal een stralende glimlach. Hier geen burgerlijk omaatje met rond brilletje, zoals in de oer-opvoering, maar een bloeiende vrouw met stevige schouders, met de door Beckett voorgeschreven big bossom in een zwart hempje. Lange kin, lange neus, grote ogen die de achthonderd toeschouwers moeiteloos vasthouden. Shaws jeugdige uitstraling geeft de voorstelling meteen een heel andere lading. Na afloop in een aanpalend Italiaans restaurant zegt regisseuse Deborah Warner: „Tegenwoordig kijken we anders aan tegen een vrouw van vijftig dan een halve eeuw geleden. Toen was je op je vijftigste al een oma, een bejaard, mal besje. Nu kan een vrouw van rond de vijftig vol seks, intelligentie en levenslust zitten. Inderdaad, zoals Fiona Shaw. Ik ben zelf trouwens ook bijna vijftig.”

Vanaf de eerste doordringende bel die Winnie wakker maakt, moet de zaal hard lachen. De grauwe, diepzinnige zwaarmoedigheid die Beckett aankleeft, krijgt bij Shaw geen seconde de kans. Ze speelt schaamteloos op de zaal, laat haar ogen rollen en trekt haar mond scheef. Het is echter niet alleen haar gezicht, ze haalt ook een lach uit ongeveer iedere zin. Dat is een prestatie, want de tekst van Happy Days bestaat uit fragmentarische zinnen van drie, vier woorden. Daarna volgt steeds een regie-aanwijzing: „draait hoofd”. In het stuk zitten eenentachtig voorgeschreven stiltes die allemaal op een andere wijze gespeeld moeten worden. Shaw weet betekenis te geven aan op het eerste gezicht obscure passages, maar sommige zinnen blijven ronduit obscuur. Ook daar moet de zaal om lachen.

Fiona Shaw, de volgende dag in haar huurappartement in Manhattan: „We hadden er geen enkel vermoeden van dat het grappig zou worden. De repetitieperiode was heel serieus, we dachten dat we aan een extreem duister stuk bezig waren. De componist van de soundscape die we gebruiken, was zelfs helemaal van streek toen ik begon te schreeuwen in de scène na de pauze. Maar toen we voor het eerst voor publiek speelden, begon dat na een paar seconde al te lachen, nog vóór ik iets had gedaan. Het publiek vertelt me in wat voor stuk ik sta. Ik heb daar vooraf alleen een vaag vermoeden van.”

Lachen met Beckett.

Het is niet helemaal nieuw. In de jaren vijftig en zestig was Beckett nog een serieuze aangelegenheid, maar sindsdien zijn er steeds meer voorstellingen gekomen, vooral van Wachten op Godot, waarin de humor naar voren werd gehaald. In Nederland had je bijvoorbeeld een Wachten op Godot door cabaretiers, waarbij het publiek mocht meezingen, en als in een poppenkast „Wij wachten op Godot” mocht meeroepen. Later volgde nog een ‘Godot’ door het variété-duo Mini en Maxi (die overigens niet zo grappig was, maar dat kwam misschien doordat die twee juist eens serieus genomen wilden worden). Net als bij collega-sombermans Kafka is de humor van Beckett juist essentieel.

Warner: „Beckett was gek op vaudeville, als een oervorm van theater; dat merk je aan alles. Dat bijvoorbeeld telkenmale de opkomst van Willie wordt aangekondigd – tadá! – en dat hij steeds toch weer niet komt, is een typisch vaudeville-effect. Beckett speelt graag met zijn publiek, zijn teksten hebben de directe reacties van het publiek nodig. Daarom werkt Beckett op film ook niet. Het slaat dood. Je kunt overigens ook geen totaal nihilistisch toneelstuk maken, dat wist Beckett ook wel. Theater is een viering van het leven.”

Bij het repeteren aan het stuk raakte Warner zelf nogal gedeprimeerd. „Niet door Becketts wereldbeeld, maar omdat ik niet wist hoe ik het moest regisseren. Zo’n fragmentarische tekst kun je pas goed repeteren als je weet hoe het moet, en je weet pas hoe het moet als je gerepeteerd hebt. Beckett pest ook graag zijn regisseurs en acteurs. Ik bedoel, ik heb in mijn loopbaan honderden opkomsten en afgangen geregisseerd, en de meest uitgekiende mise-en-scènes. En hier toont Beckett aan dat het allemaal vergeefse moeite was: hij zet een actrice vast in een berg puin (op zich al een aardige pesterij) en je hebt geen verdere bewegingen nodig.”

Fiona Shaw verzucht: „Soms denk ik wel: het is niet eens een toneelstuk, het is een installatie. Het heeft in ieder geval het statische van een installatie. Ik zou in een museum moeten zitten.”

Deborah Warner: „Het is de mens geplaatst in een wrede proefopstelling. Met extreme beproevingen test Beckett de buigzaamheid van de menselijke geest. Zoals God doet met Job. Of zoals Zeus doet met de geketende Prometheus in de tragedie van Aischylos.”

Winnie is niet alleen. Ze is getrouwd met Willie, die achter haar rug rondscharrelt en nauwelijks iets zegt. Het moet een ondankbare rol zijn voor acteur Tim Potter: nog geen honderd woorden tekst en hij is nauwelijks zichtbaar voor het publiek. Winnie geeft Willie bezorgde bevelen – niet te lang in de zon, ga terug in je hol, geef hier die pikante ansichtkaart – en zij kwekt tegen hem aan. Willie neemt doorgaans niet de moeite om iets terug te zeggen. Winnie is het gewend: als ze maar het idee kan hebben dat hij luistert. Happy Days is ook een huwelijkskomedie. Het huwelijk wordt teruggebracht tot zijn essentie: de vrouw praat, de man bromt wat, en gaat zijn eigen gang.

Net als Beckett heeft Winnie publiek nodig. Ook al luistert Willie vaak niet, en kan Winnie hem een groot deel van de tijd niet zien, alleen de suggestie dat hij zou kunnen luisteren, doet haar opleven. Helemaal gelukkig is ze als hij iets terugzegt, al is het maar één woord, of een krantenkop voorleest.

Fiona Shaw richt zich nadrukkelijk tot de zaal. We zijn er niet en we zijn er wél voor haar. Zij heeft onze aandacht nodig. Je kunt niet twee uur naar één hoofd staren, dus soms dwaalt het oog af, over het decor. Maar dat is zo gebouwd, dat het oog altijd weer terugkeert naar de vrouw in het midden. En anders zorgt Shaw er wel voor, die haar publiek steeds weer verleidt bij haar te blijven.

De scène na de pauze is essentieel. Winnie is flink afgetakeld, en inmiddels tot haar nek in het beton verdwenen. Willie is weg. Winnie suggereert zelfs dat hij, net als alle anderen, allang dood is. Zonder Willie kan Winnie haar goedgemutste decorum niet langer ophouden. Ze begint te schreeuwen, een vreselijk verdriet dat van heel diep komt. Iedereen wordt naar van die schreeuw.

Warner: „Meer nog dan aan haar optimisme hangt Winnie aan het kleine beetje aandacht dat zij krijgt van Willie. Zij krijgt van hem het gevoel niet alleen te zijn. Winnie heeft aandacht nodig. Aandacht is een basisbehoefte in het leven. Je kent het wel, van die proeven met apenbaby’s die iedere aanraking wordt ontzegd: ze sterven heel snel. Eenzaamheid is de grootste menselijke angst.”

Omdat Beckett een archetypische

situatie schetst, is een symbolistische, filosofische lezing onvermijdelijk. Winnie verbeeldt de condition humaine. Zelfs de blijste geest staat ‘s ochtends wel eens op met het gevoel dat hij tot zijn middel vastzit in een berg aarde, en dat hij morgen tot zijn nek zal vastzitten. En overmorgen tot boven zijn kruin. Wij zitten muurvast – in huwelijk, gezin, werk, klasse, afkomst; kies zelf maar. Net als Winnie klampen we ons vast aan het decorum en we blijven geloven in een beter morgen.

En wat voor gruwelijkheden het lot ook op ons loslaat, we blijven ons aanpassen. Winnie constateert dat zij na eeuwigheden in de brandende zon minder is gaan transpireren, en stelt: „That’s what I find so wonderful. That man adapts himself. To changing conditions.” Toen Becketts tijdgenoot Jean-Paul Sartre bijna dood was, vroeg een journalist hem hoe dat nou was, om als gevierde ‘stem van een generatie’ te moeten vegeteren in een bed. (Leuke vraag aan een stervende, trouwens). Existentialist Sartre antwoordde: „Ik leef om te roken. En te ademen.”

Dat aanpassingsvermogen, dat genoegen nemen met de laatste splintertjes genot en hoop („great mercies”, noemt Winnie ze) is de heroïek van de mensheid, maar ook haar tragiek. Is het niet waardiger om gewoon te sterven, zodra de omstandigheden ontoelaatbaar worden? Zoals de meeste dieren. Of te doen als Winnies echtgenoot Willie: als de omstandigheden barbaars zijn, zelf ook een barbaar worden?

Regisseur Warner: „Naarmate we langer in New York staan, begrijp ik steeds beter waarom de voorstelling zo aanslaat bij New Yorkers. Dit gáát over hun. New Yorkers zijn allemaal Winnies: ze zitten tot hun nek in het beton. Ze werken zich dood, ze rennen rond tussen die enorme betonnen grafzuilen. En toch staan ze iedere ochtend op met het idee: vandaag ga ik het maken. Daar is heel Amerika op gebouwd. Ik denk dat Amerikanen zich beter herkennen in Winnies optimisme-tegen-de-klippen-op dan Europeanen. Ik verwacht dan ook dat jullie straks in Amsterdam minder hard gaan lachen om Happy Days dan de New Yorkers.”

Maar als je in een bezemkast in het centrum van Londen woont, dan zit je toch ook tot je nek in het beton? Warner: „Nee, Engelsen zijn allemaal Willies. Te primitief om te lijden. Over Amsterdammers kan ik nog geen uitspraak doen.”

Na een korte pauze: „Overigens heb je niets aan dat soort bespiegelingen bij het regisseren. Je moet Beckett niet abstract brengen; abstractie op toneel werkt sowieso niet. Je kunt geen abstract theater maken. Je kunt misschien wel überhaupt geen abstracte kunst maken. Je moet in het theater zo concreet mogelijk zijn. De condition humaine, Ground Zero, de existentiële angsten; het zijn gedachtes waar de toeschouwer in het begin even bij vertoeft, maar uiteindelijk moet je gewoon met Winnie meegaan, een echte vrouw met echte gevoelens en gedachtes, die daadwerkelijk vastzit in daadwerkelijk beton.”

Fiona Shaw: „Ik heb altijd een ambivalente verhouding tot Beckett gehad. Als toneelstudente moest je hem wel goed vinden, maar ik vond hem ook grauw en somber, en ik dacht dat je hem ook zo moest spelen. Op de universiteit heb ik Footfalls gespeeld, geheel in Beckett-stijl voor één bezoeker én een man van de beveiliging die kwam schuilen voor de regen. Beckett en ik – schrijver en toneelspeler – hebben een tegengesteld belang. Hij wil de afstand tussen de mensen tonen, ik wil ze juist samenbrengen. In dat spanningveld speelt Happy Days.”

In de laatste minuten van de voorstelling komt de doodgewaande Willie ineens toch opdagen. Tevergeefs tracht hij de heuvel van Winnie op te kruipen. „Win!” roept hij wanhopig. Winnie is verrukt. Wordt het toch nog een mooie dag. Ze zingt een reeds lang aangekondigd lied.

‘Happy Days’, 31 mei en 1-2 juni in de Stadsschouwburg Amsterdam. Info 020-5237787 of www.hollandfestival.nl.