Joseph Conrad

Soms lees je dingen later. In zijn recensie van John Stapes De vele levens van Joseph Conrad (Boeken. 11. 4. 08) verwijt Bas Heijne hem en andere biografen dat er geen beeld ontstaat van Conrads innerlijk leven: ‘Ja, (...) je leest over hem, je ziet hem niet’

Heijne verklaart dat doordat Stape Conrads vele levens beschrijft – toch wel exact de titel van zijn biografie! Heijne resumeert dan drie levensfases van Conrad – die hij eigenlijk wel van zijn eigen naam had mogen voorzien, Korzeniewski – uitmondend in wat Heijne als Stapes’ hyperbolische gezeur typeert: Conrads leven is te verklaren uit zijn zoektocht naar houvast, tot uiting komend in zijn thema van hoe gemakkelijk de mens zijn greep verliest op de werkelijkheid, zijn besef van fundamentele eenzaamheid.

Er is een andere, en rijkere, lezing mogelijk. Nemen we W.G. Sebalds De ringen van Saturnus, een Engelse pelgrimage (1995). Sebald, die zich nooit als Conrads biograaf heeft geafficheerd, schetst in amper een pagina of dertig in zijn weergaloze stijl van elegische documentaire fictie, de zieleroerselen en motieven van deze zoon uit een Pools land-adellijk geslacht.

Sebald beschrijft Korzeniewski’s/ Conrads lotgevallen en wederwaardigheden in een modus van contingente herinneringen, quasi-toevallige lees- en kijkervaringen, en nauwgezet archiefwerk, zijn ‘memory-travels’.

Conrad en Sebald, beiden zijn het cultschrijvers. Hoe komt het dat Sebald zich zo goed verstond met Conrad? Bijna een eeuw later? Waarom ‘ziet’ Sebald Conrad wel? Mijn idee is dat Sebald een verwantschap ervoer met Conrad. Hij leest hem vanuit zijn thema ‘melancholie als vorm van verzet’. Wat we dus zien is, met andere woorden, niet Conrads eenzaamheid, maar zijn fundamentele stemming tot melancholie. Er is dus wel een schrijver die Conrads innerlijk leven heeft geïnterpreteerd.

Ferdinand Ruhwandl, Amsterdam

De integrale brief is te lezen op nrcboeken.nl