Je kunt een auto winnen, maar waar is Hamlet?

Wordt er nog wel toneel in de schouwburgen gemaakt? vraag je je af als je de selectie bekijkt van het Theaterfestival TF-1, die woensdag bekend werd gemaakt. Op het festival, dat in september in Amsterdam plaatsvindt, worden de beste voorstellingen van het seizoen getoond, geselecteerd door een jury. Dit keer koos de jury voor slechts drie schouwburgvoorstellingen. De andere acht uitverkoren stukken spelen op locatie (buiten het theater) of in een kleine zaal. De jury kiest voor het vormexperiment: theater waarbij het publiek een auto kan winnen, op een hotelmatras mag liggen en getrakteerd wordt op poffertjes, naar een Leidse V&D mag, of een animatiefilm krijgt te zien met neukende Biedermeier beeldjes.

Ik heb acht van de elf gekozen voorstellingen niet gezien, dus ik stel mijn kwalitatieve oordeel uit, maar ik stel vast dat de selectie scheef is wat betreft de soorten theater. De keuze van de jury – die wordt geleid door komiek Raoul Heertje en die verder bestaat uit professionele kijkers: een directeur, een programmeur, een criticus, een wetenschapper en twee makers – is op zichzelf niet zo vreemd: ook buiten het festival krijgen locatietheater en ervaringstheater terecht veel aandacht. Hoewel het eigenlijk om een retro-trend gaat, met zijn wortels stevig in de jaren zeventig, komt de frisse wind uit deze hoek. Ook in een schouwburgvoorstelling als Romeinse Tragedies wordt aan de traditionele plaats van de toeschouwer gemorreld: als op een modern Forum mag hij rondlopen, zich mengen met de Romeinse politici, en een verfrissing halen.

Maar toch, een paar evidente hoogtepunten uit de grote zaal ontbreken: Angels in America (Toneelgroep Amsterdam), De tien geboden (NTGent), Lang en gelukkig (Ro Theater), Odysseus (De Appel), en Wuivend graan van Wim T. Schippers (Hummelinck Stuurman). Overigens allemaal voorstellingen die ook geschikt zijn voor een breed publiek: niet te ingewikkeld en met een humane boodschap.

TF-1 is drie jaar geleden opgericht als opvolger van het Theaterfestival. In de eerste twee jaren werd een mooie verdeling gemaakt tussen theater voor de grote en de kleine zaal, en tussen theater voor fijnproevers en voor een breder publiek. Nu is dat alweer losgelaten. Terwijl deze eenzijdigheid een van de kwalen was waaraan de voorganger ten onder ging. TF-1 zou een publieksfestival moeten zijn, dat een breed publiek met theater laat kennis maken door de paradepaarden te tonen. Daar moet ook theater voor gevorderden tussenzitten, maar niet alleen. Verder zou het festivalhart op het Leidseplein moeten liggen, in de schouwburg. Nu het publiek uitwaaiert naar al die buitenposten, toegankelijk voor een beperkt aantal mensen, verliest het festival zijn gezicht.

Die juryselectie staat niet op zichzelf. Al langer is er sprake van scheefgroei in het theater, door de gesel van de vernieuwing. Dat is meer een kijkcijferprobleem dan een artistiek probleem, maar het zorgt voor een hiaat in de kennis van de theaterbezoeker: hij mist de band met de traditie. Een conventionele schouwburg-Hamlet is in geen jaren te zien geweest.