Gouden tijd voor boeren zet subsidies onder druk

Deze week presenteerde Brussel voorstellen voor landbouwhervorming. Frankrijk leidt komend half jaar de besluitvorming. Is Sarkozy zo conservatief als zijn voorgangers?

Waarom hebben Europese boeren in deze tijd van hoge voedselprijzen financiële steun uit Brussel nodig? Marc Justice, akkerbouwer in de Noord-Franse graanschuur Picardië, recht zijn schouders en mengt in zijn blik een dosis argwaan met de hulpeloosheid die hem gepast lijkt bij zulke verraderlijk naïeve vragen. Zo kernachtig als hij kan, zegt hij: „De prijzen beginnen alweer te dalen.”

Marc Justice is 48 jaar en de laatste boer in Longueil-Annel, een dorpje van 2.500 inwoners in de Oise. Hij heeft in twintig jaar tijd geleidelijk de familiebedrijven van zijn voorouders samengevoegd en zijn buren uitgekocht. Nu is zijn bedrijf voor deze regio van middelgrote omvang: 240 hectare. Hij verbouwt graan, suikerbieten en maïs, en ontvangt daarvoor „een heel grote som” uit Brussel. Hoeveel precies vertelt hij niet, maar volgens de burgemeester was het genoeg om laatst zomaar een nieuwe dorsmachine van 70.000 euro te kopen.

Boer Justice staat er vandaag onmiskenbaar tevreden bij op zijn ruime erf. Het zonnetje schijnt, de machines glanzen – we repareren achterlichten deze middag – en zijn dochter van negen heeft al gezegd dat zij het bedrijf wil voortzetten, later. De zaken gaan goed, nu de vraag in de wereld weer toeneemt.

Maar wie garandeert hem dat dat zo blijft? Twee jaar geleden was de graanprijs zo laag dat hij een contract afsloot om tien jaar lang 18 procent van zijn graanoogst tegen een vaste prijs te verkopen voor biobrandstof. Hij kan vandaag „zijn vingers wel opeten van spijt”: graan voor voedsel levert nu meer op. Maar straks is het misschien weer andersom. Die schommelingen moeten de Europese steungelden opvangen. Subsidies zijn er om de voedselproductie in Europa zeker te stellen.

Marc Justice is een boer om in het achterhoofd te houden nu Nicolas Sarkozy, de Franse president, het komende half jaar de Europese Unie zal voorzitten. In deze periode moeten de 27 lidstaten overeenstemming bereiken over een herziening van het landbouwbeleid à 40 miljard euro. Frankrijk is met 10 miljard per jaar de grootste ontvanger van landbouwsteun.

In Brussel is regulering van de productie uit de gratie. Bij elke hervorming wordt het weer wat minder. Dat zou veel sneller zijn gegaan als Sarkozy’s voorganger, Jacques Chirac, zich niet jarenlang had opgeworpen als tegenstander van liberalisering.

Deze week kwam Europees landbouwcommissaris Mariann Fischer Boel met de eerste voorstellen voor het Europese landbouwbeleid in het post-Chirac-tijdperk. Grote lijnen: subsidies helemaal loskoppelen van de productie, verplichte braakligging in de akkerbouw afschaffen, melkquota verhogen op weg naar afschaffing in 2015, meer geld van grootontvangers overhevelen naar de zogeheten plattelandsontwikkeling, waaronder bijvoorbeeld landschapsbeheer kan vallen.

[Vervolg LANDBOUW: pagina 14]

LANDBOUW

Vrije markt vernietigt landbouw

[Vervolg van pagina 13] De voorstellen van Fischer Boel moeten de opmaat worden voor een grondige hervorming in 2013. In de Europese Unie wordt met spanning afgewacht of Sarkozy en zijn landbouwminister Michel Barnier de lijn-Chirac zullen voortzetten of voor hervorming kiezen.

De Unie staat voor prangende vragen nu de prijzen voor landbouwproducten de hemel in zijn geschoten. Moeten we nog miljardensteun geven aan boeren? Betalen we boeren voortaan om een Ot-en-Sien-landschap in stand te houden met hier en daar wat sloom herkauwende koeien onder een treurwilg langs een sloot? Kunnen we akkers wel teruggeven aan het water, zoals in Nederland staat te gebeuren aan de Westerschelde en in de Wieringermeer? Of is dat niet meer te verantwoorden en moet Europa de productie juist stimuleren?

De Britse minister van Financiën, Alistair Darling, heeft een heel simpel voorstel. Stop om te beginnen alle betalingen aan boeren, schreef hij op 13 mei in een brief aan zijn Europese ambtsgenoten. De EU bespaart dan in één klap 34 miljard euro. Verbeter vervolgens de efficiëntie van de markten voor land, arbeid en kapitaal. Leg de boeren de voordelen uit van marktmechanismen als termijncontracten en voilà, de boeren kunnen zichzelf bedruipen. De Britten willen de brief van Darling in juni op de formele agenda van de raad van ministers van Financiën hebben, zo laat een Britse diplomaat weten. Via de Europese begroting wil Darling de landbouwministers de wacht aanzeggen.

De Franse minister Barnier vertegenwoordigt het tegengeluid. Onlangs greep hij de mondiale voedselcrisis aan om in de Financial Times reclame te maken voor het Europese landbouwbeleid. Als ze voedselzekerheid willen in Afrika en Zuid-Amerika zouden ze een voorbeeld aan ons moeten nemen, opperde hij.

Barnier noemt de voorstellen van Fischer Boel „op sommige punten in de huidige vorm onaanvaardbaar”. De overheveling van productiesteun naar plattelandsontwikkeling ligt gevoelig in Frankrijk, evenals het loskoppelen van subsidies van de productie. Zonder mechanismen om de productie te reguleren en de markt te stabiliseren „is er geen gemeenschappelijk landbouwbeleid meer”, vindt Barnier.

Wie wint het pleit, Darling of Barnier?

Onder specialisten is een volledige liberalisering van het landbouwbeleid niet de vanzelfsprekende oplossing voor de stijgende vraag. Juist de Britse geschiedenis levert daarvoor argumenten, zegt landbouweconoom Niek Koning van de Wageningse Universiteit. Het Verenigd Koninkrijk is het enige westerse land dat in de moderne geschiedenis de landbouw langdurig aan de vrije markt heeft blootgesteld – met desastreuze gevolgen, zegt Koning.

Rond 1880 daalden de prijzen van landbouwproducten en begonnen bijna alle Europese landen met het beschermen van hun boeren. Alleen Groot-Brittannië liet tot de grote crisis van 1930 de vrije markt regeren. Het resultaat in het meest geavanceerde landbouwland van Europa was „volledige stagnatie”, zegt Koning. „Vruchtbare akkers verwilderden, gebouwen stortten in en de voorsprong van de machine-industrie verdween.” Duitse boeren passeerden hun Britse collega’s in productiviteit en welvarendheid.

Dit toont, volgens Koning, dat de economische theorie voor de landbouw niet geheel opgaat. Het aanbod had zich aan de vraag moeten aanpassen, waarna de prijzen weer zouden aantrekken. Boeren zouden dan weer geld verdienen om opnieuw te investeren. Die opbloei had echter nooit plaats.

‘In de afgelopen honderd jaar is er veel veranderd”, zegt Hans ten Cate, bestuurslid van de Rabobank, over deze historie. Een risico als droogte is bijvoorbeeld afgedekt door beregening, transport naar markten is beter en de boer heeft veel meer informatie over deze markten. Tegelijkertijd erkent Ten Cate dat prijsschommelingen veel groter zullen worden en dat uiteindelijk niemand weet wat er echt zal gebeuren in een vrije landbouwmarkt. Maar directe subsidie „gaat er toch echt aan in 2013”, zegt Ten Cate, „al komt daar wel iets voor terug”. Namelijk betalingen voor, bijvoorbeeld, het in stand houden van mooi landschap.

Maar deze subsidies voor plattelandsontwikkeling kunnen ook bij milieubeschermingsorganisaties terechtkomen. Natuurmonumenten krijgt nu al miljoenen subsidies uit deze pot om bijvoorbeeld projecten uit te voeren in weidevogelreservaten die het in eigen beheer heeft. „Wij vinden het heel logisch dat dit geld niet alleen naar boeren, maar naar álle beheerders van grond gaat”, zegt Ruud Pleune, beleidsmedewerker van Natuurmonumenten.

De Europese boeren zijn hier niet blij mee. „Het is niet het moment om minder geld te besteden aan het ondersteunen van de productie van boeren en dat geld uit te geven aan plattelandsontwikkeling”, stelde de Europese boerenbond Copa-Cogeca deze week. „We moeten nu prioriteit geven aan het optimaliseren van de productie.”

De plannen zouden de Nederlandse boeren „160 à 200 miljoen euro” per jaar kunnen kosten, stelt Albert Jan Maat, voorzitter van de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO), op een totaal subsidiebedrag van zo’n 850 miljoen euro per jaar uit Brussel.

Voor de gemiddelde Nederlandse akkerbouwer komt de Europese steun nog altijd overeen met zijn halve bruto gezinsinkomen (dus na aftrek van alle kosten voor bedrijfsvoering). Want ook al waren de graanprijzen goed vorig jaar, het weer was slecht en de oogst viel erg tegen. De melkveehouder deed het in 2007 iets beter, maar in 2006 was ook hij voor meer dan de helft van zijn inkomen van de steun afhankelijk. En de zuivelprijzen dalen al weer sinds een half jaar.

De tendens in Brussel is echter duidelijk: langzaam wordt geld bij de boeren weggehaald en overgeheveld naar andere doelen. „Wellicht zijn er genoeg ambtenaren in Brussel die denken dat we de toeslagen aan de boeren uiteindelijk ook af gaan schaffen”, zegt Koning, „maar de vraag is of we dat ook werkelijk gaan doen.”

Traditioneel zijn het Groot-Brittannië, de Scandinavische landen en Nederland die in meer of mindere mate geneigd zijn tot liberalisering. Deze landen hebben vitale landbouwsectoren – zoals de intensieve varkens- en pluimveehouderij in Nederland – die geen directe subsidie nodig hebben. Daar tegenover staan Frankrijk en Duitsland met een lange traditie van steun aan boeren, de overige mediterrane landen en de nieuwe lidstaten in Oost-Europa, die nog een grote agrarische bevolking hebben die ze zoveel mogelijk willen ondersteunen.

De voorzitter van de Europese boerenbond is een Fransman, Jean-Michel Lemétayer, leider van de grootste Franse boerenbond, FNSEA. Volgens hem moet de Europese landbouwpolitiek juist weer meer op regulering mikken, omdat de markt, door de veranderende wereldverhoudingen, klimaatverandering en bevolkingstoename wispelturig is. „Als de prijzen morgen dalen, vallen de meeste kwetsbare landbouwers meteen om”, zei hij deze week in Brussel.

Nog even terug naar Longueil-Annel in Picardië. Vijf minuutjes van het erf van Marc Justice hangt Cédric Campion (27) achter een geïmproviseerde toonbank in tuincentrum Gamm’Vert. Campion is ook boer: tachtig hectare, 25.000 euro subsidie per jaar. De administratie daarvoor valt hem zwaar: zijn land is opgedeeld in 38 percelen waarvoor steeds andere criteria gelden. Hij verbouwt graan, suikerbieten, erwten, koolzaad, linnen, houdt ganzen, kalkoenen en kippen en heeft een pension voor paarden van buitenlui. Met vijf andere boeren probeert hij sinds anderhalf jaar in het tuincentrum zijn waar lokaal te verkopen. Met verlies, tot nu toe. Toch is diversifiëren zijn toverwoord: zo spreidt Campion het werk uit het over een heel jaar, het risico over verschillende producten, de afzet over verschillende markten.

De steun die Camion uit Brussel krijgt, gaat geheel op aan het afbetalen van de lening die hij twee jaar geleden heeft gesloten om zijn bedrijf te beginnen. Het gezinsinkomen bestaat uit de vergoeding voor het ouderschapsverlof van zijn vrouw en uit wat zijn ouders geven. Campion is vóór hervorming van het Europese Landbouwbeleid. Meer vrijheid in de keuze welke gewassen hij teelt, geld voor landschapsbeheer, hij vindt het „interessant”. Als er maar steun blijft komen voor landbouwers en hun productie. Anders zullen alleen de grootsten en rijksten overleven. Zonder melkquotum kan hij straks geen melk meer verkopen van de veehouder uit de buurt: die kunnen nooit op tegen de geïndustrialiseerde melkveebedrijven zoals uit Nederland.

Campion denkt dat president Sarkozy hem en de andere kleine boeren ook het komende half jaar in Europa zal verdedigen. „Ik heb minder vertrouwen in hem dan in Chirac, maar ook Sarkozy kent de belangen van de Franse landbouw.”