Gelukkig zijn was nooit mijn streven

De schrijvers Hafid Bouazza en Gerrit Komrij corresponderen wekelijks. Aflevering 2.

Waarde Gerrit,

In het geval deze brief je in een hortende en stotende auto treft, zal ik terughoudend proberen te zijn met mijn beeldspraak en kort in mijn zinnen – met de nadruk op ‘proberen’, want mijn gedachten en zinnen kruipen en gaan voort waar de lezer al op de klippen van zijn concentratie is gelopen, zo wordt mij wel eens verweten.

Kijk jij nog naar de buis? Bij het begin van mijn alcoholontwenning was mij al gewaarschuwd a): televisie te mijden en b): geen drop te eten. Het tweede lukte mij ternauwernood, de compulsie om de mond te vullen bleef, maar de islamitische rellen van geluid en beelden op de flitsbuis (om jouw neologisme eens aan te passen) deden mij even vrezen in een psychose te zijn geraakt, De arts stelde mij aan de telefoon gerust en sindsdien zet ik die zwarte vierkant nimmer aan. Dus klagende en treurende vrouwen blijven mij gelukkig gespaard, dat wil zeggen via het beeldscherm; wel heb ik (mea culpa) voor de tv-camera’s kennis gemaakt met wat misschien een nieuw fenomeen is, namelijk de gelukkige vrouw! Ze kwettert en kabbelt er nog steeds op los, alleen leest ze er nu dus zelfhulpboeken bij om tot die staat te komen. Ze kan het nog steeds niet alleen.

Het treffen met deze gelukkige vrouw liet mij echter achter met het geestelijke equivalent van een blaasjestong in de ochtend na een zwelgende nacht. Streven naar geluk is nooit mijn drijfveer geweest, slechts leven en schrijven zijn mij genoeg. Hoe vaak en meer verlang ik niet naar een nègre, al was het alleen maar om dit woord te kunnen gebruiken, of liever nog naar een literaire cicogne, precies om laatstgenoemde reden. Ik denk dan aan het embleem op de fles limonade van het merk La Cicogne, dat we in Marokko dronken, de Sprite van de kleine luiden: een ooievaar die in een nest met gekrulde hals neerkeek, drank en glas van een columbijnen grijsheid (heerlijk, die aviaire hybriden!).

Ik lig op de bank te lezen, of luchtzinnen te construeren, te bouwen en te herbouwen; buiten ligt de lente precies op dezelfde manier, op haar hemelbed, blaadjes van kersenbloesem onder mijn open balkon vallen langzaam neer, als weggestreepte woorden (scheelt straks redactiewerk), de zon smuilt permanent buiten en binnen, als na een slok van mijn kinderlimonade; dan vliegt een Vlaamse gaai krassend weg – haar ganzenveer valt uit haar handen (heerlijk die etc.) – en hortend kom ik overeind, om aan het werk te gaan en besef mij dat ik nèt, voordat de vogel met zijn gekras en blauwe flits mijn oor en ooghoek stoorde, gelukkig was (rarely, rarely, comest thou, Spirit of delight!).

Dan toch liever deze flits, denk ik dan, dan de paalflits die mijn uitgever vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar heeft gekost omdat hij twee jaar geleden (!) tot tweemaal toe de snelheidslimiet heeft overschreden. Onze ‘levende legende’, zoals hij laatst in een tijdschrift werd genoemd, leeft inderdaad nog steeds en in tragere vaart en met onzeker rijbewijs. Ren dus langzaam, langzaam, ros van onze boeken!

Liefs, Hafid