Engel met rubberen handschoenen

Olivier Messiaen componeerde slechts één opera, Saint François d’Assise , die bijna nooit wordt uitgevoerd. Pierre Audi ensceneert hem nu bij De Nederlandse Opera. „Ik wil de brutaliteit van de muziek in de beelden evenaren.”

Wonderlijk, vindt regisseur Pierre Audi het. Dit jaar, het eeuwfeest van componist Olivier Messiaen (1908-1992), is De Nederlandse Opera het enige operahuis ter wereld waar Saint François d’Assise (1983) wordt opgevoerd. Zelfs in Frankrijk ontwijken alle retrospectieven Messiaens enige opera, waaraan hij acht jaar sleutelde en die hij zelf als de synthese van zijn muzikale ontdekkingen beschouwde. Audi haalt er de schouders over op. „Het is vreemd, maar het werkt in ons voordeel. Soms zijn er opera’s waarmee je je als operahuis wilt onderscheiden”, zegt Audi. ,,Toen ik twintig jaar geleden begon als artistiek leider van De Nederlandse Opera en het 25 meter brede toneel van Het Muziektheater zag, wist ik: het wordt mijn missie én mijn obsessie iets te ontwikkelen dat specifiek is voor deze plek. Wagners Der Ring des Nibelungen was voor mij zo’n mijlpaal. En Saint François d’Assise wordt dat ook.”

Net als Wagners Ring-tetralogie is ook Messiaens Saint François een mythisch werk van grote getallen. De muziek duurt vier uur, eist 150 koorzangers, 120 musici. En net als in de gelauwerde productie van Wagners Ring, plaatst Audi ook in Saint François het orkest op het toneel – midden in de handeling. ,,Saint François d’Assise is geen opera, maar een muziektheatrale ervaring. En in die ervaring speelt het orkest de hoofdrol.”

Dirigent Ingo Metzmacher, de vuistdikke partituur voor zich op tafel, noemt het een groot werk, over grote thema’s. „Vreugde, liefde, God! Om die liefde uit te drukken, heb je ook een warme en ruimtelijke klank nodig. In Hamburg is mijn eerste poging deze opera te dirigeren mislukt. De orkestbak was er gewoon te klein.”

Praktische bezwaren – die

moeten wel de reden zijn voor het ultrakorte uitvoeringslijstje van Saint François d’Assise sinds de wereldpremière in 1983. Messiaen twijfelde zelf aan zijn muziektheatrale kunnen („En dat was geen bescheidenheid”, zei hij zelf), maar zwichtte toch voor een opdracht van de Opéra in Parijs. In 1975 ging hij aan de slag, acht jaar later was het werk af. Maar ondanks Messiaens onomstreden statuur als een van de grootste componisten van de twintigste eeuw én ondanks het feit dat Saint François zijn ‘summum opus’ is, durfden slechts zes regisseurs het aan de omvangrijke, royaal met vogelzang gekruide schets van scènes uit het leven van Franciscus van Assisi (1181-1226) in productie te brengen. Peter Sellars waagde de sprong, op de Salzburger Festspiele van 1992. En kreeg onmiddellijk ruzie met Messiaens weduwe, pianiste Yvonne Loriod, die niet instemde met de vervanging van smaakvolle Giotto’s door Franciscaner monniken in T-shirts en vogelzang op televisieschermen. Na Sellars’ high tech-poging volgden nog vier ensceneringen. Stanislas Nordey regisseerde de recentste Saint François d’Assise aan de Opéra Bastille in Parijs.

Pierre Audi was bij de wereldpremière, zag de Sellarsproductie en die van Nordey. „Bij de première dacht ik: dit wil ik ook. Maar wel anders. Die productie was tuttig. Sellars’ aanpak was te technologisch. De enscenering van Nordey vond ik soms ronduit pervers. In de dramaturgisch allerlastigste scène, een veertig minuten durend vogelkoor waarnaar Franciscus en broeder Massée bewegingloos luisteren, liet Nordey hen gewoon stilstaan – leeg de zaal in turend. Als om te zeggen: dit is zó saai, hier kan ik ook als regisseur niets mee.”

Dat juist Audi zich meteen tot Saint François voelde aangetrokken, is niet verbazend. Het is een ‘opera’ – Messiaen prefereerde de term ‘spectacle’ – waarin de ‘actie’ zich veelal afspeelt op het terrein van het onzichtbare en het onzegbare – enkele dramatische momenten uitgezonderd. Om die reden wordt de opera wel in één categorie geplaatst met mythische werken als de Orfeo van Monteverdi, Wagners Der Ring des Nibelungen, of Debussy’s Pelléas et Mélisande – niet toevallig titels die Audi óók regisseerde. ,,St. François is een soort mysteriespel”, zegt Audi. „De drie aktes zijn verdeeld in acht tableaus. Samen vormen ze geen naturalistische biografische schets, maar een gestileerd ritueel in scènes: het gevecht met de leproos, de ontmoeting met de vogels, het ontvangen van de stigmata en de dood.”

Audi noemt zijn aanpak

vooral instinctief. „Wat me aantrok was de mix van het tijdloos mythische, de sterke spirituele lading en het fantasieaspect. Zoals Messiaen Saint François beschouwde als een synthese van zijn ideeën, zo biedt zijn werk mij ook de kans elementen die me inspireren bijéén te brengen. Maar het is lastig. Je moet de muzikale en de dramatische ambities van Messiaen tonen; onderstrepen hoe volstrekt modern en twintigste-eeuws dit werk is. Maar je moet ook gewoon het verhaal vertellen, met aandacht voor de religieuze context, de openheid, de kinderlijke naïviteit. Abstrahering is dan een middel. Zoals de vier elementen de basis vormden voor onze enscenering van Wagners Der Ring des Nibelungen, zo zijn hier het kruis, de boom en de blauwe hemel basisingrediënten. Van daaruit kan iedereen zijn eigen invulling maken. Uiteindelijk is het de uitdaging dit algemeen menselijk te ensceneren, voor een publiek dat goeddeels niet katholiek is.”

In de grote studio van het Muziektheater staan symboolbomen van gespijkerde planken voor een steigerconstructie. Het decor van Jean Kalman is provisorisch nagebouwd, op ware breedte maar minder diep dan straks in de zaal. Audi geeft opdracht een half verschroeide takkenbos te verrijden. Hij kijkt vorsend naar de lege plek. „Zit hier nu straks een gat?”

Het is zes weken voor de première en de regierepetities onder Audi’s leiding zijn nog in een verkennend stadium. Bariton Rod Gilfry (St. François) draagt voor het vijfde tableau (L’Ange musicien, de musicerende engel) een witte pij met koord. Wat zou Messiaen, die de muziek componeerde én het tekstboek samenstelde uit Franciscus’ geschriften en levensschetsen, daarvan vinden? Het klavieruittreksel verduidelijkt hoe extreem gedetailleerd hij was in de beschrijving van wat hij wilde zien en horen. In dit geval: Franciscus ‘in een aardekleurige pij’, met tonsuur en ‘een klein, rossig baardje – dun behaard’.

„In het algemeen wil ik het visueel verstilder houden dan Messiaen voor ogen stond”, zegt Audi later, in zijn werkkamer bovenin Het Muziektheater. „Het gaat mij om de concentratie die uit de bewegingen moet voortkomen. Soms zijn de bewegingen illustraties van de muziek, vaker moeten ze er tegenin gaan. Dan is de muziek zó monumentaal dat de beelden als tegenwicht wel minimalistisch moeten zijn.”

Voor Messiaen was het levensverhaal van Franciscus tweede keus; het liefst had hij een passie gecomponeerd. Maar omdat hij vreesde dat een opera het lijdensverhaal van Christus zou ridiculiseren, omarmde hij de heilige Franciscus als alternatief. „Omdat hij kuis was, omdat hij nederig was, omdat hij arm was en omdat hij leed.”

Na een scène over de vreugde van het aanvaarden van het lijden (I) en de genezing van een leproos (III) verschijnt een Engel. Hij ondervraagt de kloosterbroeders over theologische kwesties; tot Franciscus spreekt hij in muziek, waardoor deze bedwelmd raakt.

Gilfry (Franciscus) komt zijwaarts op. „Die binnenkomst moet ‘meer spanning uitstralen’, vindt Audi. Gilfry zingt een gebed. „Anders is de glans van de zon, anders die van de maan en anders die van de sterren. En elke ster is weer anders dan de ander. En zo ook is het met de Wederopstanding der doden.” Hij staat op, ijsbeert, gaat weer liggen. De Engel, gekleed in regenboogjurk, verschijnt. Dan klinken belletjes: de roep van een tjiftjaf en van een valk.

Audi, alert: „Die muziek brengt hem in een nieuwe bewustzijnsstaat.”

Gilfry: „Is het wat als ik eerst mijn ogen open, voordat ik opsta?

Audi: „Het mag.”

Gilfry: „Maar was het goed? Moet ik het nog eens laten gebeuren?”

Het proces van repeteren is in feite: het samen ontdekken van het mysterie van de partituur, zegt Audi. „Er zijn zoveel plekken die draaien om extreem subtiele veranderingen van theatrale kleur – dat moet je in alle rust kunnen onderzoeken. Dat is ook een reden dat ik jonge zangers met een open mentaliteit heb aangetrokken. Een andere reden is dat ik het fysieke aspect meer aandacht wilde geven dan in deze opera gewoon is. José van Dam, die de wereldpremière zong en geldt als dé Franciscus, vult de rol in als een heilige. Maar ik wil de brutaliteit van de muziek in de beelden evenaren. Het moet onesthetisch ogen, ruw. Misschien is dat niet wat Messiaen wilde, maar het maakt zijn opera begrijpelijker dan wanneer die als heilig ritueel wordt vormgegeven. De beelden moeten zijn als kaarsen in een kathedraal – niet schoon en perfect, maar met kaarsvet druipend op de vloer.”

In de studio wordt de scène

met de Engel herhaald. De ondes martenot (een oersynthesizer met het geluid van een zingende zaag) klinkt en zie: daar is de Engel, met keukenhandschoenen en twee oplichtende strijkstokken.

Gilfry: „Hé! Wat is dat?”

Audi: „Een gestileerd instrument.”

Gilfry: „Cool, zeg. En mag ik dan hier op mijn rug draaien?”

Audi: „Ja – móói! Dat illustreert het erotische van de scène, en dat is wat we willen. Het instrument is de man, de strijkstok het vrouwelijke.” Hij grinnikt. „Elke componist moet zijn onvervulde verlangens ergens kwijt.”

Gilfry: „Messiaen en zijn vrouw schreven anders behoorlijk erotische pianoconcerten voor elkaar.” En tegen de engel: „Jij ziet er trouwens ook erotisch uit, met die roze rubberen keukenhandschoenen.”

Audi: „Maar zo werkt dat! Theatraal kan ik met die engelverschijning alleen uit de voeten als ik haar vormgeef als in een kinderdroom. En de kinderdroom ís een product van samengestelde beelden uit het dagelijks leven.”

Wie het leven van Franciscus alleen maar associeert met vredige taferelen als de ontmoeting met de vogels, het omhelzen van een leproos of een musicerende engel, komt in Saint François d’Assise bedrogen uit. Hier tinkelen geen feeërieke harpen als de Engel zich aandient, maar deelt het orkest rake meppen uit. Drie tableaus later worden de stigmata er bij Franciscus eveneens op niet mis te verstane wijze ingebeukt door orkest en koor (Ah! Ah! Ah!). „Maar meestal schrijdt de muziek voort met kalme tred”, zegt dirigent Ingo Metzmacher. „Alle zang is kalm en plechtig, behalve het vogelgezang.”

Saint François d’Assise is voor Metzmacher zijn afscheidsproductie als chef-dirigent van De Nederlandse Opera. Bizar detail: het is tevens de eerste keer sinds zijn aantreden in 2005 dat hij samenwerkt met artistiek directeur Pierre Audi. „Maar ach. Je weet nooit wat er nog in de toekomst ligt.” Metzmachers vroegtijdig vertrek als operachef heeft tot het laatst iets raadselachtigs behouden. Dat zijn tweede aanstelling als leider van het Deutsches Symphonie-Orchester in Berlijn meer tijd eist dan gepland, kan niet meer dan een deelreden zijn. Metzmacher ontkent dat zijn kritisch ontvangen bijdrage aan Mozarts Da Ponte-cyclus, vorig seizoen, ook meespeelde. „Ik zou nooit op basis van één project zo’n belangrijke beslissing nemen. Het voornaamste is dat ik de Amsterdamse formule met een chef-dirigent zonder eigen orkest als onwerkbaar heb ervaren. Je bent als een kapitein zonder schip, een hoofdredacteur zonder journalisten. Ik voelde me onthecht – vrij zwevend zonder de mogelijkheid iets te kunnen invullen of ontwikkelen. En dat werkte niet.”

Metzmachers laatste maand,

is ook zijn drukste; de repetities voor Messiaen doorkruizen de uitvoeringen van Wagners Tristan und Isolde. „Maar Wagner en Messiaen bijten elkaar niet”, zegt hij. ,,Ondanks de extreme verschillen zijn er ook overeenkomsten; de kleurrijkheid, het inwendige gloeien, de keuze voor grote thema’s. Maar bij Wagner stroomt alles, terwijl Messiaen werkt als architect. Als je Saint François d’Assise goed beluistert, kan het niet anders of hij heeft tevoren een gedetailleerd bouwplan gemaakt.”

Dat Messiaen bij de intimiteit van zijn onderwerp toch kiest voor bijna driehonderd musici , is vooral een kwestie van kleur, zegt Metzmacher. „Kleur is cruciaal bij Messiaen, op een heel eigen manier. Het is een structureel element. In die zin is zijn muziek ook erg Frans, en ligt zij in één lijn met Debussy. Akkoorden worden niet als onderdelen van muzikale zinsbouw ingezet, maar vervullen vooral een sfeerbepalende rol.”

Op basis van zijn kleurassociaties bij akkoorden, baseerde Messiaen een eigen systeem van toonreeksen (modi). Zijn Mode de valeurs et d’intensités vatte zelfs alle muzikale parameters in reeksen en legde zo de basis voor het serialisme in de muziek. Maar een serialist pur sang is Messiaen nooit geworden. Zijn muziek bleef dienstbaar: een middel om zo kleurrijk mogelijk de wonderen van de natuur te weerspiegelen, zoals die op hun beurt het Goddelijke weerspiegelen. In Messiaens eigen woorden: ‘God is overal. In de concertzaal, in de oceaan, op een berg, zelfs op de grond. Dat is wat mijn muziek tot uitdrukking wil brengen.’

Ingo Metzmacher moet erom glimlachen: „Het gaat er niet om als musicus het rooms-katholieke geloof te dienen, maar om de kracht die uit dat geloof is gegroeid, te respecteren. En het is bij uitstek de onwrikbaarheid van Messiaens geloof die Saint François d’Assise zo indrukwekkend maakt. Zó geloven anno 1983 en daar een opera aan wijden - dat is zo groot, zo gewaagd, dat ontroert mij – daar hoef je zelf geen belijdend religieus mens voor te zijn. Ik voeg daar meteen aan toe: elke ware musicus is in wezen een gelovige. Er is een kracht in muziek die niemand kan ontkennen.”

Pierre Audi heeft ter voorbereiding een reis gemaakt langs alle locaties uit Franciscus’ leven die in de opera voorkomen. Uit zijn broekzak haalt hij een blank houten kruissymbooltje – souvenir uit La Verna, de grot waar Franciscus zich terugtrok en de stigmata zou hebben ontvangen. „Als je daar zit snap je Messiaen en snap je zijn boodschap. De sleutel is het l’Homme-Dieu, dat het koor zingt als Franciscus de stigmata ontvangt: God is in ons. Om die te waarderen, hoef je niet rooms-katholiek te zijn; het is feitelijk een pantheïstische boodschap. En een boodschap waaraan je bij een enscenering van deze opera niet voorbij kan, niet voorbij mag gaan. Je moet als regisseur minstens geloven in de innerlijke rust in mensen. Saint François d’Assise is een zoektocht naar die innerlijke rust, buiten onze wereld.”

Saint François d’Assise door De Ned. Opera/Holland Festival o.l.v. Ingo Metzmacher, regie: Pierre Audi. Voorstellingen op 1, 4, 7, 11, 16, 19, 22, 26 en 29/6 in het Muziektheater, Amsterdam. Inl. 020- 6255455 en www.dno.nl