Een voorzichtig duel in woorden

Op zijn dertigste schreef de jonggestorven Italiaanse schrijver Silvio d’Arzo een beklemmende korte roman over een pastoor die geen vat kan krijgen op een oudere vrouw.

Silvio d’Arzo: Andermans huis. Vertaald uit het Italiaans door Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd. Van Gennep, 94 blz. € 9,90

Soms is een korte roman het beste boek van een oeuvre. Dat is, lijkt mij, het geval met De kolonel krijgt nooit post van García Márquez, Pereira verklaart van Antonio Tabucchi, Het behouden huis van W.F. Hermans, en De reiger van Giorgio Bassani. Stuk voor stuk zijn dat romans die een loodzware beklemming opbouwen, die je in één langzame adem leest, en die je – terwijl je dat doet – al meteen zou willen herlezen.

Andermans huis (1952) van de jonggestorven Silvio d’Arzo behoort tot deze categorie van lapidaire meesterwerken. Met heel sobere middelen wordt in deze roman een soort duel beschreven. De ene protagonist is een oudere dorpspriester voor wie leven en werk in een hooggelegen Apennijns dorp van niks routine zijn geworden. Hij is niet verstoken van intellect of mensenkennis, deze pastoor, hij is ook niet onsympathiek. Hij staat alleen een beetje stil; het leven lijkt zijn bijt voor hem verloren te hebben.

Het is door de oren en de ogen van deze pastoor, die als verteller fungeert, dat de lezer luistert en kijkt. De lezer is ook op de hoogte van zijn innerlijk gemompeld commentaar. In het dorp van niks heeft zich – toch een gebeurtenis – een nieuwe parochiaan gevestigd. Het is een oudere vrouw die vooralsnog geen aanstalten maakt om contact met hem op te nemen. De vrouw, die in haar minieme inkomsten voorziet door in een beek darmen en kleren te wassen (het verhaal speelt zich af in de doodarme jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog), lijkt de priester niet nodig te hebben.

Deze oudere vrouw is de andere hoofdpersoon. Zij komt in de kerk, zoals iedereen, maar dat is dan ook alles. Zij ontglipt hem – en juist daardoor begint zij de pastoor, en met hem de lezer, in beslag te nemen. De priester kan zich niet voorstellen dat zij zijn pastorale diensten niet nodig zou hebben. Vroeg of laat, vertelt zijn ervaring hem, komen ze allemaal. Dus wacht hij, zij het enigszins onrustig, af wanneer het mevrouw zal believen.

Natuurlijk komt zij, de oudere vrouw. De eerste keer – een meesterlijk gesprek – komt zij de pastoor alleen maar testen. Ze vraagt naar de een of andere bekende weg (of men mag scheiden en hertrouwen). Routineus geeft hij het bijbehorende antwoord (nee en nog eens nee). Maar in het bijbehorende antwoord weet zij, al doorvragend, toch een kleine opening te wrikken. Zij is alleen maar gekomen om zich te vergewissen van de mogelijkheid, in het algemeen, van uitzonderingen op regels. Maar om welke regel het haar in feite begonnen is, daar laat zij zich nog niet over uit.

De pastoor weet dat hij iets op het spoor is geraakt, maar wat? De vrouw heeft de openingszet gedaan in een ten slotte uiterst zwijgzaam verlopend schaakspel dat de pastoor zal verliezen. Hij begint haar, zou je met lichte overdrijving kunnen zeggen, te stalken. In het nette. Hij stelt zich onnadrukkelijk op in de buurt van haar beek terwijl zij wast. Een andere keer, om zich ervan te vergewissen dat zij heus wel weet dat hij daar bovenaan op de helling staat, laat hij een steentje in de beek vallen. Hij gaat ten slotte zelfs naar haar toe met zijn eigen vuile was. Intussen zwelt er iets aan, iets dat alleen maar onheilspellend kan heten, iets dat onomkeerbaar zal zijn. Maar terwijl de toon van de priester losser en zelfs uitgesproken jolig wordt, trekt de vrouw zich nog verder terug.

Ik kan het plot hier niet eventjes gaan verklappen. Ik heb als met een dikke viltstift de hoofdlijn aangeduid. Maar de lijnen waarmee Silvio d’Arzo het sterke web van zijn verhaal weeft, zijn divers en subtiel. Ik kan alleen maar zeggen dat Andermans huis grossiert in geleidelijkheid en precisie. Het boek is buitengewoon spannend. En desalniettemin licht en geestig.

Tot slot nog twee onthutsende kwesties. De ene heeft te maken met de flaptekst van de Nederlandse uitgave. Ik heb het boek intussen een paar keer cadeau gedaan; zo’n boek is het namelijk. Maar daarbij heb ik me helaas genoopt gezien een deel van de (gelukkig in wit op zwart gedrukte) flaptekst onleesbaar te maken, met behulp van de al eerder genoemde dikke viltstift. Het is niets minder dan een misdaad tegen het lezen die daar door de flapschrijver begaan wordt. Ik zwijg er verder over. Lees die flap niet!

De andere, misschien nog onthutsender, kwestie moet met mijzelf te maken hebben. Het gekke is namelijk dat ik dit boek dertig jaar geleden, in de vertaling van mevrouw J.H. Klinkert - Pötters Vos, al eens gelezen moet hebben. Ten bewijze daarvan stond het gewoon in de kast, maar ik was het boek eerlijk gezegd volkomen vergeten; op de titel na dan. Hoe kan dat? Terwijl ik datzelfde boek nu vol overtuiging onvergetelijk zou willen noemen. Ik denk niet dat het in de op punten ongetwijfeld betere (preciezere, opgehelderde) nieuwe vertaling zit. Die mevrouw Klinkert - Pötters Vos kon heus behoorlijk goed vertalen.

Maar hoe zit het dan met die nieuwe onvergetelijkheid? Het enige wat ik erop kan bedenken, is dat dit blijkbaar een boek is waarvoor ik twee keer zo oud heb moeten worden. Het klinkt afschrikwekkend genoeg. Liever had ik het hierover niet gehad. Maar het verbluffende wapenfeit van deze jonggestorven Silvio d’Arzo is dat hij nog geen dertig was toen hij zijn slanke meesterwerk schreef. De bespreker daarentegen heeft er dertig jaar extra voor nodig gehad om het op waarde te schatten.