Een meisje met blauwe plekken op haar arm

Ross Raisin: Aards paradijs (God’s Own Country). Vertaald door M. op den Camp. Nw A’dam, 239 blz. € 16,50

De eerste twee hoofdstukken van dit boek is er weinig aan de hand. Je laat je meevoeren door de hoekige en laconieke toon van de negentienjarige Sam Marsdyke, die met zijn zwijgzame vader en moeder op een schapenboerderij woont op de onherbergzame moors van Yorkshire. Maar bij het derde hoofdstuk krijg je een onaangename schok te verwerken: wat vertelt Sam nu, is hij daadwerkelijk van school gestuurd omdat hij een klasgenote heeft proberen te verkrachten? Volgens Sam was er weinig aan de hand, ook al zat de arm van het meisje onder de blauwe plekken, maar de lezer is gewaarschuwd: de verteller van Aards paradijs, de debuutroman van Ross Raisin, kan niet zomaar op zijn woord worden geloofd.

Vanaf dat moment krijgt het boek een scherp randje, en als Sam vriendschap sluit met een vijftienjarig meisje, dat deel uitmaakt van een gezin dat vanuit Londen naar Yorkshire is verhuisd, lijkt een slechte afloop onafwendbaar. Inderdaad gaat het mis, maar niet nadat ze samen van huis zijn weggelopen, op háár initiatief. Pas als het meisje terug naar huis wil, verandert hun gezamenlijke ontsnapping alsnog in een ontvoering en moet Sam steeds drastischer maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het meisje (haar naam komen we nooit te weten) bij hem blijft.

Geen personage dat je gauw vergeet, die Sam Marsdyke, en ook Ross Raisin is een naam om te onthouden. Toch is niet alles even goed gelukt in Aards paradijs. Het middengedeelte is te lang en het boek eindigt met een overbodige epiloog die zich jaren later afspeelt, als Sam zijn straf bijna heeft uitgezeten.

Maar intussen laat Ross Raisin zien dat hij goed kan schrijven. Hij weet dat het kleine, het terloopse, vaak de grootste zeggingskracht bezit. Een van de eerste ontmoetingen van Sam en het meisje laat hij als volgt beginnen: ‘Alles goed? vroeg ik, toen ze dichterbij kwam en ik haar glimlach kon zien. Mooie dag, hè? Ze hoorde me niet, ik zei het te vroeg.’ Met die laatste zin roept Raisin een compleet personage op, en weet hij tegelijk de lezer voor dat personage te winnen. Het is dit talent dat ervoor zorgt dat de lezer met Sam mee blijft leven, ook als die steeds meer gestoorde trekjes gaat vertonen en zijn rol als onbetrouwbare verteller steeds groteskere vormen aanneemt.

De volstrekt eigen, Noord-Engelse toon die Raisin zijn personage meegeeft, laat zich moeilijk vertalen; het is onvermijdelijk dat een aantal nuances verloren gaat. Maar waarom nemen Nederlandse vertalers zo vaak hun toevlucht tot ouderwetse uitdrukkingen die erin slagen een personage in één klap ongeloofwaardig maken? Ook in dit boek is het weer raak: ‘fuck you’ wordt vertaald als ‘verrek maar’ en ‘for all I care’ als ‘mij een biet’ – terwijl er toch voldoende moderne alternatieven beschikbaar zijn.