Drama achter gesloten deuren

Daar sta je dan met je hulp en je goede bedoelingen. Niet welkom. Terwijl iedereen weet dat zich achter de vrijwel gesloten deuren van Birma een humanitair drama voltrekt. Tachtigduizend, mogelijk honderdduizend mensen zijn omgekomen bij de cycloon die drie weken geleden over het land raasde. Een veelvoud van dat aantal is dakloos en verkeert in urgente nood. Lijken drijven nog in rivieren en meertjes, in de verwoeste rijstvelden en modderpoelen, volgens de schaarse verslagen uit het rampgebied. Aan drinkwater is groot gebrek, ziektes verspreiden zich snel en ondervoeding dreigt op grote schaal.

Maar de militaire leiders van het land houden de deur zoveel mogelijk dicht. Buitenlandse hulp is niet nodig. We kunnen het zelf wel af. Waar bemoeien jullie je mee? De hulpoperatie is trouwens toch al zo’n beetje afgerond, we kunnen nu beginnen aan de wederopbouw.

Met dat soort kluitjes werd de wereld wekenlang in het riet gestuurd, en het is niet duidelijk of daar echt verandering in komt. Voor hij vandaag eindelijk werd ontvangen door de Birmese leider Than Shwe, moest VN-chef Ban Ki-moon de afgelopen tijd zelfs de vernedering ondergaan dat de generaal weigerde aan de telefoon te komen. En ondertussen kregen de mensen in het rampgebied niet de hulp die levens had kunnen redden. Amerikaanse, Franse en Britse marineschepen lagen voor de Birmese kust klaar om een hulpoperatie te beginnen, maar kregen daarvoor geen toestemming.

Het was een pijnlijke confrontatie met de machteloosheid van de Verenigde Naties – niet de eerste, maar wel één die lang zal schrijnen. En die een internationaal debat heeft losgemaakt over wat de buitenwereld in zo’n situatie eigenlijk kan, mag en misschien wel móét doen. Want als een regering haar burgers niet wil beschermen, heeft de internationale gemeenschap dan niet de verantwoordelijkheid om in te grijpen?

Nederland vindt van wel. Net als de Franse minister van Buitenlandse Zaken Kouchner (oprichter van Artsen zonder Grenzen), die al snel na de cycloon pleitte voor „gedwongen hulpverlening”. Nog afgezien van de morele argumenten, zou de nieuwe doctrine van ‘verantwoordelijkheid om te beschermen’ dat rechtvaardigen. Op een top in 2005 aanvaardde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het beginsel van Responsibility to Protect, of in sms-taal: R2P. Regeringen zijn wel in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de bescherming van hun burgers, maar wanneer zij dat niet kunnen, of niet willen of wanneer zij opzettelijk hun eigen burgers in gevaar brengen, dan moet de internationale gemeenschap haar verantwoordelijkheid nemen.

Het is een mooie gedachte, maar de praktische uitvoerbaarheid ervan is nog niet bewezen. Wanneer kan de buitenwereld een operatie beginnen op het grondgebied van een regering die daar tegen is? In geval van etnische zuiveringen, genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, zegt de Verklaring uit 2005. Maar ook in het geval Birma, betoogde minister van Buitenlandse Zaken Verhagen dinsdag als gastspreker in de VN-Veiligheidsraad in New York. Want een ontoereikende reactie op een natuurramp „moet beschouwd worden als een misdaad tegen de menselijkheid”.

Dat is nogal wat. In de eerste plaats vanwege de praktische haken en ogen: ingrijpen klinkt daadkrachtig, maar waar hebben we het over? Het uitvoeren van diplomatieke demarches? Het opvoeren van politieke en economische druk? Militair ingrijpen? En kan dat in een situatie waarin het geen oorlog is, zoals bij een natuurramp, niet averechts gaan werken, doordat je een conflict creëert? En wie bepaalt trouwens wanneer een reactie op een ramp al dan niet toereikend is? Is lakse aidsbestrijding ook een misdaad tegen de menselijkheid? En het ontkennen van een naderende ramp, zoals het broeikaseffect?

Een principiële discussie lijkt misplaatst op een moment dat haast geboden is bij de ramp in Birma. Maar het raakt de kern van het probleem waar de buitenlandse hulpverleners en hun politieke pleitbezorgers op stuiten – in Birma, maar ook in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Want terwijl het debat gaat over verantwoordelijkheden, is de inzet hoeveel een land te zeggen heeft over zijn eigen grondgebied en burgers – wat de nationale soevereiniteit nog voorstelt.

Het respect voor de soevereiniteit van staten, eeuwenlang de hoeksteen van de internationale politieke orde, is de laatste tijd danig afgenomen. Hoe een staat met zijn burgers omgaat, is allang niet meer alleen zijn eigen zaak. Schendingen van mensenrechten gaan ook de rest van de wereld aan. Het verloop van verkiezingen wordt beoordeeld door internationale organisaties. Buitenlandse actiegroepen bemoeien zich met de binnenlandse politiek van landen. Kortom, het harnas van de nationale soevereiniteit, waarin autoritaire regimes zich graag hullen, is poreus geworden.

Dat leidt tot ongerustheid – bij de militaire heersers in Birma, maar ook in Moskou, Peking en tal van andere hoofdsteden. En het leidt tot bedenkingen over het nieuwe beginsel van ‘verantwoordelijkheid om te beschermen’ – voor ieder land in potentie immers een verdere inbreuk op de soevereiniteit. Westerse landen die te hard van stapel lopen, en de nieuwe regel nu al willen uitbreiden tot het weigeren van hulp bij natuurrampen, riskeren de brede steun te verspelen die de hele gedachte van internationale verantwoordelijkheid voor de bescherming van burgers moet dragen.

Reageren kan op nrc.nl/eijsvoogel