De grauwvogel in volle vlucht

Niet alles is psychiatrie of fantasiebij J.M.A Biesheuvel. Het Verzameld Werk laat naast vele bizarre wendingen universele onmacht zien. ‘Het zit er niet in’.

J.M.A. Biesheuvel: Verzameld werk. bezorgd door Frans Blom en Mirjam van Hengel. Drie delen in cassette. G.A. van Oorschot, 996 + 744 + 852 blz. € 99,–

Ze hadden het nu wel met hem gehad, de maat was vol en eindelijk moest maar eens gezegd worden wat niemand durfde te beweren. De zestien critici die in 1989 de bundel Carpe diem van J.M.A. Biesheuvel bespraken, waren, een enkele uitzondering daargelaten, ronduit negatief: ‘uitgesproken truttig’, ‘stuurloos gerebbel’, werk van een schrijver die niet meer in staat was te verrassen. Voor één criticus, Hans Warren, was het boek zelfs aanleiding om de staf te breken over het ‘povere proza’ van de auteur: ‘Een van de raadsels in onze letterkunde is de overschatting van de verhalen die J.M.A. Biesheuvel schrijft.’ De vernietigende ontvangst van Carpe diem is uitgebreid beschreven in het grote (op een afstudeerscriptie gebaseerde) artikel dat neerlandicus Erik de Bruin vorige week in De Groene Amsterdammer publiceerde. Bijna even unaniem als Biesheuvel na zijn debuut In de bovenkooi (1972) in de armen was gesloten, moest hij het nu ontgelden. Na Carpe diem publiceerde Biesheuvel (1939) amper nog iets; het gros van de 2500 pagina’s Verzameld werk die vandaag verschijnen, is geschreven in de jaren zeventig en tachtig, tussen twee grote depressies van de schrijver door.

Wellicht dat die eindeloze verhalenstroom – aan een roman waagde de auteur zich niet – en de terugkerende thema’s voor sommige critici een overdosis betekenden. Misschien dat het vooral ging om een overdosis van de schrijver, die een jaar eerder uitgebreid in de belangstelling had gestaan als Boekenweekauteur en die toen ook het geëxalteerd huiselijke Biesboek publiceerde. Want hoe slecht is deze, in de ogen van de kritiek slechtste Biesheuvelbundel ooit, nu eigenlijk?

In de eerste zin van Carpe diem wordt het titelverhaal geïntroduceerd als ‘geen sprookje […] maar eerder een moralistische vertelling’. Die handelt over een Zeeuwse boer die een mooie fles wijn op het land vindt (‘„Dit is wijn”, zei hij en hij stond wel een kwartier lang in verbazing naar de fles te kijken.’) Het blijkt goede wijn, uitstekende wijn zelfs volgens een neef die deze boer Kluit bezoekt. Maar de boer wil hem pas drinken bij de beste gelegenheid. Die komt niet: zelfs als de koning hoogstpersoonlijk bij hem op visite komt, blijft de fles in de kelder. De afloop laat zich raden: boer sterft, dorpsgenoten ontdekken de schat: ‘Iemand drukte met zijn duim op ruwe wijze de kurk tot ver in de fles en toen dronken ze vrolijk de wijn uit vieze koffiekopjes.’ Zeer ten overvloede besluit de auteur: ‘De moraal van dit verhaal is: „Carpe diem, pluk de dag.” Je moet de wijn drinken als je leeft.’

Een zekere lulligheid kan deze ‘moralistische vertelling’ inderdaad niet worden ontzegd, vooral dankzij de breed uitgemeten naïeve toon van Biesheuvel. Zoals het motto zelfs onder tegeltjeswijsheden aan de slappe kant is. In het tweede verhaal van de bundel proberen twee rouwende domineesdochters al juttend op het strand iets van hun verleden terug te vinden, in een ander verhaal durft een man niet meer naar de radio te luisteren nadat er een reportage over hemzelf is uitgezonden en in ‘Een dure grap’ wil een man zijn vriend voor het lapje houden door zijn eigen dood te simuleren – hij bekoopt het met de dood.

Erg eenvoudige verhalen, zo op het oog, maar als je ze achter elkaar leest, gaat opvallen hoezeer ze een eenheid vormen. En wat deze bundel samenbindt, is niet de versleten moraal, maar de overeenkomst tussen de dertien hoofdpersonen. Biesheuvel laat niet zien dat je de dag moet plukken, hij laat zien dat het onmogelijk is de dag te plukken.

Achter de schijnbare naïviteit en het opwekkend ogende motto van deze bundel gaat een diepe en deprimerende overtuiging schuil: het zit er niet in, leven bij de dag niet – en iets anders ook niet. Ook niet voor de briljante violist uit het slotverhaal die iedereen tot tranen toe roert, maar die ook elke avond weer de meisjes van zijn schoot schuift en het bos intrekt, omdat er niets mooiers is dan de natuur en er geen groter liefde was dan die van zijn overleden ouders voor hem. Hij ontleent er geen vreugde aan.

Hans Warren had gelijk toen hij schreef dat Carpe diem een raadsel opwerpt, al kon hij dat raadsel toen hij zijn bespreking tikte nog niet voorzien. Het raadsel behelst niet de ‘overschatting’ van het werk van Biesheuvel, maar de veronachtzaming van deze verhalenbundel. Want op weinig plaatsen in zijn oeuvre hamert Biesheuvel de onmacht van zijn hoofdpersonen zo hard en onbarmhartig bij zijn lezers naar binnen.

Als je de lezing van het Verzameld werk met Carpe diem begonnen bent, zie je de bundel ook onophoudelijk terug. Heel letterlijk in het eerste verhaal dat Biesheuvel in Hollands maandblad publiceerde en dat begint met de zin ‘Er was eens een aardbei, die rijp was om geplukt te worden’ en waarin de genoemde vrucht op de vlucht gaat voor zijn plukkers – zonder succes. Of in ‘De heer Mellenberg’ uit In de bovenkooi. Deze medepatiënt in het ‘gekkenhuis’ houdt de verteller (‘Ik was voor de achtste keer Jezus geworden’) met zoveel woorden voor dat hij bij de dag moet leven en niet in abstracties moet denken. Zoals Mellenberg zelf, die aannemelijk weet te maken dat het de graankorrels tussen de molenstenen zijn die de wind veroorzaken. Niet dat deze man écht een uitweg is, of biedt: hij is de langst opgesloten patiënt van allemaal.

Hoe vaak je ook moet grinniken om Biesheuvels bizarre wendingen – lees bijvoorbeeld het kleine multiculturele drama in het verhaal ‘Koran’ uit Godencirkel – het plezier verdwijnt steeds verder naar de achtergrond, met het Boekenweekgeschenk Een overtollig mens als weergaloos hoogtepunt.

Het is verleidelijk om de verhalen van Biesheuvel te lezen aan de hand van een terugkerende tegenstelling tussen wie normaal is en wie gek. Veel van zijn werk draait nu eenmaal om de psychische aandoeningen en de angsten waaraan de schrijver zelf een groot deel van zijn leven is kwijtgeraakt. Maar niet alles is psychiatrie of fantasie, zoals Carpe diem laat zien. Die bundel – er komt, om Reve te parafraseren, bijna geen normale gek in voor – laat zien hoe veel universeler de doem is; er is geen ontsnappen aan.

Of preciezer: er is bijna geen ontsnappen aan. Want in het twaalfde verhaal van Carpe diem, ‘De dikke en de dunne’ slaagt iemand er daadwerkelijk in de dag te plukken. In het verhaal gaan de vrienden Bos en Bas een stukje varen. Wanneer ze weer aan land gaan, heeft Bas – die niet geholpen wil worden – de grootste moeite de kant op te komen. ‘De dikke klauterde en klauterde. Zijn hart ging als een gek tekeer, hij pufte als een stoommachine […] Hoe het precies kwam weten wij niet, maar na elf minuten en dertien seconden lag de dikke languit op zijn rug op de kade, en vlak bij het water.’ De man haalt vervolgens een fototoestel te voorschijn en maakt, nog steeds liggend, een foto van de eindeloze lucht boven hem. Met succes: ‘De dikke was trots, want er stond iets óp! Iets heel moois, de grauwvogel in volle vlucht.’ Vreugde alom. Hoe deze Bas het klusje heeft geklaard, blijkt pas in de allerlaatste zin: ‘Want de grauwvogel bestaat, geloven wij, helemáál niet.’

Zo is het de verbeelding die aan het eind van dit verhaal de ultieme ontsnappingsmogelijkheid vormt. Zoals in bredere zin voor Maarten Biesheuvel geldt dat de kunst de enige uitweg was – tenminste in de zeventien jaar dat hij met volle kracht schrijver kon zijn. En van het nu verzamelde oeuvre is één ding zeker: de grauwvogel staat er in volle glorie op. En, God, wat is-ie mooi.